De fantast Boudewijn Büch

En boeken bespreken dat doen we dus hier.
Gebruikersavatar
Toxopeus
Administrator
Administrator
Berichten: 4219
Lid geworden op: ma 15 nov 2010, 19:53

vr 01 feb 2013, 01:58

Boudewijn Büch: Een manisch-depressieve fantast

Voor Boudewijn Büch was de gewone wereld te klein. Hij verzon er gewoon nog een paar bij, die hij als werkelijkheid aan de man bracht. Zijn ziekelijke lust om van zijn eigen leven een mythe te maken, vervreemdde hem van zijn familie en kostte hem zowat al zijn vrienden. Maar hij is nu wel de legende die hij hoopte te worden.


Boudewijn Büch stak een Gauloise op, nam twee driftige trekjes en vermaalde de peuk in een asbak. Twee minuten later stak hij een nieuwe sigaret op. Zijn declaratie na een reis voor Het Parool vermeldde ooit eenenveertig flessen champagne. Ook nadat hij halverwege de jaren negentig met drank en nicotine stopte, zou hij in bijna alles mateloos, gehaast en ongedurig blijven. Per dag dronk hij veertien koppen zwarte koffie en een liter Coca-Cola (waar hij als 'kenner' reclame voor maakte).

Dat hij ongezond leefde, is zwak uitgedrukt. Hij zag er dan ook bedonderd uit. Twee keer per week fietste hij naar een afhaal-Chinees. Je zag hem ook wel eens bij de Febo een kroketje eten; hij had geen tijd om voor zichzelf te koken. Hij deed, zei hij, zelden langer dan een halfuur over het lezen van een boek.

Werken was zijn grootste drug. Rond middernacht kroop hij achter het toetsenbord van zijn computer en tikte hij tot het ochtendgloren twee tot drie stukkies voor uiteenlopende opdrachtgevers als de Varagids, ANWB Reizen of het Algemeen Dagblad. Omstreeks vijf uur ging hij naar bed, rond een uur of tien kwam de machine weer op gang. Gemiddeld drie avonden per week trok hij de provincie in met zijn solovoorstelling Op reis ('een diavoorstelling zonder dia's'). Op woensdagavond stak hij bij Barend & Van Dorp een pronkstuk uit zijn privécollectie omhoog.

Verloren uurtjes spreidde hij over nevenactiviteiten zoals een gastrol in de goochelshow van Hans Kazan of het spelletjesprogramma Waku Waku. Hij acteerde in televisiespotjes voor Verkade, PTT Post en Lassie-toverrijst. 'Voor mij is werken altijd therapie geweest. Ik moet er niet aan denken om werkloos te zijn, ik zou gek worden. Dat is de reden dat ik zoveel doe. Anders ga ik zitten tobben en bestijgt mij weer een depressie,' zei hij in 1992 tegen De Telegraaf.
Op zaterdag 24 november 2002, volgens de overlijdensakte om '14.00 uur', bezweek Boudewijn Maria Ignatius Büch aan een hartstilstand, drie weken voordat hij vierenvijftig zou zijn geworden. Zijn manager Erica Reijmerink trof hem in de vooravond levenloos aan in zijn bibliotheek met een boek van Heinrich Heine op schoot. De bril lag op het bijzettafeltje.
In de week daarop werd zijn kist publiek opgebaard in het West-Indisch Huis te Amsterdam, waar het volk afscheid kon nemen op een manier die een bekend Nederlander waardig is. De rechten op begraafplaats Westerveld zijn voor honderd jaar afgekocht omdat, zoals zijn manager zei, 'mensen straks bij het graf van Boudewijn moeten kunnen kwijlen zoals hij dat zelf deed bij het graf van Goethe'.

En wéér was het wat saaier geworden in Nederland. Met de kracht van een tornado was hij door de letteren en de media geraasd. Bibliograaf Frans Mouws, die binnenkort een overzicht van Büchs complete oeuvre zal publiceren, telde meer dan vijfentwintighonderd artikelen, tweehonderdvijftig televisieoptredens, honderdvijfentwintig boeken waarin een bijdrage van zijn hand werd opgenomen en op de kop af honderd boeken (inclusief dichtbundels in kleine oplagen) met zijn naam op het omslag.

Een verbluffende score, maar de productie zou ongetwijfeld nóg hoger hebben gelegen als hij niet tussen1988 en 2001 vijf maanden per jaar op pad was geweest voor het Vara-programma De wereld van Boudewijn Büch. Een goede titel, trouwens. Als iemand in een zelfgecreëerde wereld leefde, was hij het wel.

Hij werd razend populair met zijn gedreven vertellingen over wat hij had meegemaakt, gelezen of ontdekt. Zijn postuum uitgegeven roman Het geheim van Eberwijn belandde in een oplage van twintigduizend exemplaren meteen op nummer één van de boekentoptien. Het thema van dit werk is ook dit keer weer een feest der herkenning voor de trouwe Büch-fan: een traumatische jeugd in Wassenaar, een unieke vader die geestelijk geknakt uit de Tweede Wereldoorlog kwam, een serpent van een moeder, scheiding ouders, zelfmoord vader, opname in een psychiatrische inrichting voor de onbegrepen, destijds elfjarige protagonist, die op latere leeftijd zélf bij een alcoholistische vriendin een zoontje verwekt dat op z'n zesde aan een hersentumor zal overlijden.

Het zijn de duistere ingrediënten waar de schrijver sinds zijn debuut De blauwe salon (1981) steeds weer op teruggreep. Na de tweede roman De kleine blonde dood (1985; kwart miljoen exemplaren van verkocht) liet hij het Vlaamse weekblad Humo weten dat hij het onderhand 'welletjes' vond. Voortaan zou hij een luchtiger onderwerp voor zijn romans kiezen: 'De kleine blonde dood sluit een periode van mijn leven af. Nu houd ik er voorgoed mee op, anders word ik een soort Heintje Davids van de dood.' Ondanks dit voornemen zou hij blíjven putten uit de goudmijn van zijn ongelukkige jeugd.

Een andere obsessie keert terug in het mini-essay 'over gedichten, dood en souvenirs' dat Büch ter gelegenheid van de boekenweek schreef. In Zingende botten wil hij 'graag dichter bij de dichter of dichteres komen, en daarom sta ik aan zijn graf, praat ik met zijn weduwe, kruip ik door een woning waar ze vijftig jaar geleden voor het laatst een voet heeft gezet en wil ik ook weten welke muziek ze het liefst had'.

Haaks op het verlangen van Boudewijn Büch om het leven van zijn dode helden gedetailleerd te reconstueren, stond zijn ziekelijke lust om van zijn eigen leven een mythe te maken. Alles wat hij over zichzelf zei, kón waar zijn, maar waarschijnlijk was het onwaar. In interviews vertelde hij dat zijn moeder een Italiaanse jodin was en zijn vader 'een Poolse jood' (HP, 1983), 'een Duitse jood' (Humo, 1986) dan wel 'een Russische jood' (De Telegraaf, 1995). Het echtpaar zou voor het fascisme naar Nederland zijn gevlucht.

De ontwapende openhartigheid waarmee Büch ondervragers deelgenoot maakte van zijn pedofiele inslag ('voor mij zijn er twee mogelijkheden: afzien of het gevang in') deed vermoeden dat hij niets te verbergen had. 'Ik schrijf erg autobiografisch. Ik heb het niet over de belevenissen van een meneer Jansen of meneer Pieterse in een fictieve wereld. Mijn boeken gaan over Boudewijn Büch en dat ben ik!' zei hij in 1986 tegen Humo.

Zijn vader, de Haagse gemeenteambtenaar Marinus Reinirus Buch, werd – anders dan zijn schrijvende zoon later volhield – niet in een interessant Oostblokland geboren, maar kwam in 1917 ter wereld in Den Haag. Hij trouwde in 1942 met Alida Johanna Elfers (1921) uit Wassenaar, géén uit Italië gevluchte jodin. Boudewijn was het derde kind in een onopvallend doorsneegezin, waarin zes zonen zouden opgroeien.

De heldendaden van de vader, die als RAF-piloot zijn geboortestad zou hebben moeten bombarderen, beperkten zich in werkelijkheid tot diens aansluiting bij de Binnenlandse Strijdkrachten in mei 1945, daags voor de bevrijding. Op pagina 752 van het boek Wassenaar in de Tweede Wereldoorlog (1995) staat beschreven hoe mannen van deze militie met wapens in een leegstaande villa oefenden. Een Duitse militair liep nietsvermoedend met zijn hond de tuin in. Toen hij werd ontdekt, verzette hij zich tegen zijn arrestatie en werd doodgeschoten. Om ontdekking te voorkomen, moest de Oberstleutnant direct worden begraven. Nadat dit was gebeurd, zo meldt het Wassenaarse geschiedenisboek, 'realiseerde de daarbij aanwezige R. Buch zich: "We zijn het identiteitsplaatje vergeten en hij heeft
misschien ook nog papieren bij zich." ' Het lichaam werd weer opgegraven en de persoonlijke bescheiden verwijderd.
Meer oorlogsverleden was er niet. Geen van de kinderen wist zich te herinneren dat vader tot waanzin werd gedreven en snikkend uit Mein Kampf voorlas, maar Boudewijn zou later van dergelijke taferelen in woord en geschrift uitvoerig verslag doen. Vader kon wéI soms buitengewoon driftig worden. 'Het was voor ons een opluchting toen het in 1961 tot een scheiding kwam en hij het huis verliet,' zegt Patrick Buch (47). De puntjes op de achternaam verzon zijn vader erbij en werden alleen door Boudewijn overgenomen.

In een statig pand in de Leidse binnenstad leidt Patrick Buch een publicrelationsbureau. Volgens het Winkler Prins Lexicon van de Nederlandse letterkunde zou ook broer Boudewijn 'enige tijd directeur van een advertentie- en copywritebureau' zijn geweest, maar die informatie slaat nergens op. 'Boudewijn was een pathologische leugenaar, die alles in het leven ondergeschikt maakte aan zijn schrijverschap. Daar offerde hij vriendschappen aan op.
Halverwege de jaren tachtig brak hij met zijn familie. Alle verhalen die hij over ons vertelde, maakten verder contact onmogelijk. Het tragische is, dat hij zelf in zijn fantasieën was gaan geloven,' zegt Patrick Buch. 'Als kind deed hij alles om op te vallen. Op zijn kamer hing een papier aan de muur met de tekst: "Ik ben God en morgen is het oorlog." Het portret van Hitler boven zijn bed werd later vervangen door een rode vlag met het portret van Mao. Zijn gedrag was één grote schreeuw om aandacht. Hij was klein van stuk, nogal ziekelijk, met een oudste broer die op het punt stond om carrière te maken en een jongste broertje dat nog baby was.'

Literatuurhistoricus Peter van Zonneveld leerde Boudewijn in 1965 kennen op het Bonaventura-gymnasium in Leiden, waar ze beiden in de redactie van schoolkrant De Vonk zaten. 'Hij was wat je tegenwoordig een hyperactief kind zou noemen,' zegt Van Zonneveld. 'Hij was te beweeglijk voor die school, hij stotterde ook een beetje.
We kenden beiden gedichten uit het hoofd: Achterberg, Vondel, Goethe. Dat was de basis onder onze vriendschap. Boudewijn schreef zelf ook poëzie en hield een dagboek bij. In 1965 vertelde hij me dat zijn vader in de oorlog bij de RAF vloog en zijn geboortestad had gebombardeerd. In eerste instantie twijfelde ik daar niet aan, maar toen ik bij hem thuiskwam, ontmoette ik een van de oudere broers die in de oorlog was geboren.

Ik vroeg hoe dat zat, want zijn vader was in de oorlog toch piloot? Toen vertelde Boudwijn dat zijn vader tussendoor als geheim agent thuis was geweest en bij die gelegenheid zou dat kind zijn verwekt. Ik geloofde er niets van, maar ik voelde niet de behoefte om zijn mythen te ontrafelen. Dit was zíjn werkelijkheid.'

In 1967 bleek de hbs te hoog gegrepen voor de onstuimige Boudewijn. Hij stapte over naar de Karel Doorman-mulo in Wassenaar. Twee jaar later bewoonde hij een etage in Leiden, waar hij eerst in de spoelkeuken van V & D en later drie dagen per week voor het universiteitsblad Mare werkte. In de tijd die hem restte, wist hij wat hem als autodidact te doen stond: hij las zich suf, deed staatsexamen en voltooide de parttime-opleiding MO Nederlands aan de Vrije Universiteit in Amsterdam.

Ter voorbereiding op een scriptie vroeg hij in juni 1974 belet bij conservator Harry M.G. Prick van het Letterkundig Museum in Den Haag, die schik had in de erudiete, geestdriftige student. Prick: 'Hij vertelde me dat hij lid was van de Linnean Society in Londen, een zeer hooggestegen gezelschap in Londen dat in 1778 ter ere van de grote natuur- en plantkundige Linnaeus werd opgericht. Alleen geleerden die uitzonderlijke prestaties leverden op het gebied van Linnaeus, worden toegelaten als lid. Ze mogen MLS achter hun naam zetten, het Member Linnean Society is meer waard dan een Leids doctoraal.

Boudewijn zei dat ze speciaal voor hem de statuten hadden moeten veranderen. Het was niet eerder voorgekomen dat iemand op zo'n jonge leeftijd werd toegelaten. Hij vroeg of ik, als ik hem een brief zou schrijven, de letters MLS aan zijn naam wilde toevoegen. Ik geloofde alles.'

Büch raakte bevriend met de eminente kenner van de negentiende-eeuwse letterkunde. Elke woensdagavond kwam hij op bezoek in Delft-Zuid voor diepgaande debatten over Lodewijk van Deyssel, Frederik van Eeden en Bilderdijk. 'Op een dag vertrouwde hij me toe dat hij drie maanden later aan de Leidse universiteit zijn doctoraal Duits zou doen,' herinnert Prick zich. 'Hij liet me weten het aangenaam te vinden om dat doctoraal 's avonds bij ons thuis te vieren en dat mijn vrouw dan zou koken. Het zou, zei hij, prettig zijn als ik alvast mijn gedachten liet gaan over een passend cadeau.
Een halfjaar later had hij wéér iets te vieren, dit keer zijn doctoraal filosofie. Hij wist daar allerlei details over te vertellen, er was geen reden om aan de waarheid te twijfelen. Des te groter was de ontgoocheling toen jaren later later bleek dat hij geen van beide doctoraals ooit heeft afgelegd. We waren echt bevriend, ik kreeg soms brieven van veertig kantjes van hem. Toen duidelijk werd dat ik zijn mythen doorzag, verbrak hij elk contact.'

Eigenlijk had 'Drs. Drs. Boudewijn Ignatius Maria Büch, MLS, psychofarmahistoricus' al die titulatuur op zijn briefpapier niet nodig om te imponeren. 'Hij was onweerstaanbaar charmant,' schreef Gerrit Komrij onlangs in Humo. 'Hij was dubbeldoctor in niks en schiep er behagen in juist oudere academici op sleeptouw te nemen. Ook zij hoorden dankzij de modulatie de inhoud van zijn praatjes niet. Ze overlaadden hem met geschenken – om maar deel te hebben aan zijn wonderbaarlijke geleerdheid. Een hoogleraar liet hem per testament zijn bibliotheek na. Hij beoefende een vorm van homoseksuele chantage, deels bewust en deels onbewust. Zo bouwde hij zijn eerste verzameling op.'

De venijnige boekrecensies die Büch voor het betreurde culturele magazine Hollands Diep ging schrijven, vielen op. Zijn broer Patrick bewaart uit die tijd een brief die vergezeld ging van een knipsel: 'Lieve Pat, ziehier de eerste pennenvrucht in een landelijk blad van Neerlands grootste dichter.' Het was duidelijk dat de afzender trappelde van ongeduld om zijn ambities meervoudig in vervulling te laten gaan.

Uitgever Martin Ros, vanwege telefonische onbereikbaarheid op zaterdagochtend overrompeld in de Tros-studio, barst bij het horen van de naam Büch spontaan los. 'Ik weet nog goed hoe hij halverwege de jaren zeventig bij De Arbeiderspers binnenkwam aan de hand van onze auteur Harry Prick, die veel in hem zag. Boudewijn durfde in die tijd niemand aan te kijken en sprak zeer zacht. In 1976 maakte hij bij ons zijn debuut met de gedichtenbundel Nogal droevige liedjes voor de kleine Gijs, maar vóórdat het zover was bestookte hij me al met brieven waar "lieve, aandoenlijke, geweldige Martin" boven stond.

Elke zaterdag vond ik zo'n handgeschreven lofzang op de deurmat, met tussendoor wat kleine verzoekjes, want hij zat boordevol plannen. Jarenlang gingen we op vrijdagavond eten bij hotel Victoria in Amsterdam, soms met Harry Prick erbij, soms wij met z'n tweeën. Hij at altijd stokvis, dat vond hij heerlijk. Boudewijn hing aan onze lippen, hij wilde álles weten over Goethe, Van Deyssel en andere klassieken. We hebben ontzettend veel gelachen samen.
Zo lang je bruikbaar was in de strategie die hij voor zichzelf had uitgestippeld, kon je goed bevriend met hem zijn. Daarna werd je gedumpt. Dat is Prick en uiteindelijk ook mij overkomen. Vervolgens schreef hij de lelijkste dingen over je.'

Met boezemvriend Peter van Zonneveld hield het contact vijfentwintig jaar stand, totdat Büch in 1990 ook met hem abrupt brak. Samen hadden ze veel gereisd; voor uitgeverij Hollandia schreven ze inleidingen bij veertig reisboeken en ze maakten de boekjes Reiskoorts en Reiswoede.

Natuurlijk had ook Van Zonneveld twijfels over dat dubbele doctoraal en andere verhalen, maar hij was zo verstandig
dergelijke mysteries buiten het gesprek te houden.

In tegenstelling tot menige Büch-exegeet is Van Zonneveld ervan overtuigd dat Micky, het zoontje dat in De kleine blonde dood op vijfjarige leeftijd aan een hersentumor overlijdt, wel degelijk heeft bestaan. 'Boudewijn vertelde me al over het kind toen de moeder nog in verwachting was,' zegt hij. 'Later liet hij me foto's zien en het geboortekaartje van Boudewijn Iskander, zoals het kind heette. Eén keer heb ik dat jongetje ontmoet, exact zoals in het boek beschreven staat. Sprekend Boudewijn. Later kwamen de verhalen over het drankgebruik van de moeder. Boudewijn wilde het kind daar weghalen, we zijn samen op zoek gegaan naar een pleeggezin. Op tweede kerstdag 1975 gingen we met een derde vriend naar een gezin in Leiden waar de kleine blonde zou worden opgenomen, maar die lag toen al in het ziekenhuis. In januari 1976 is dat zoontje overleden.'

Nee, Van Zonneveld heeft de moeder nooit ontmoet. 'Die werelden hield hij strikt gescheiden. Eén keer stond er een vrouw op het perron van Leiden, waar hij even iets tegen moest zeggen. Dat was de moeder van zijn kind, zei hij. Ik mocht niet mee, maar ik heb vanaf een afstand gezien dat hij met haar sprak. Na de dood van de kleine blonde bood ik aan om naar de begrafenis te komen, maar Boudewijn wilde daar liever alleen zijn. Ik dacht toen wel: je bent nú al bezig om er literatuur van te maken.'

Patrick Buch is er stellig over: wat hem betreft was er géén dood kind. In 1976 verkeerde Boudewijn nog zo goed met de familie dat hij ongetwijfeld over het drama verteld zou hebben. De breuk kwam pas later, toen de auteur in interviews begon uit te weiden over de zelfmoord van zijn vader die de vrijlating van langgestrafte oorlogsmisdadigers ('de Drie van Breda') niet verdroeg. 'En meer van dat soort onzin,' zegt Patrick Buch. 'Mijn vader overleed eind 1975 aan een hartstilstand. Daar is Boudewijn ook aan overleden. Hij had een twee keer hoger cholesterolgehalte dan normaal, dat zit in onze genen.'

De jeugdpsychiatrische inrichting die in Het dolhuis (1987) wordt beschreven, was in werkelijkheid huize Lindenlust in Boxtel, in de jaren vijftig een vakantiekolonie voor bleekneusjes uit de Randstad. Op zijn tiende logeerde hij daar op advies van de schoolarts zes zomerweken om aan te sterken, maar in het boek en in interviews maakte Büch daar 'een vol jaar te midden van de echte debielen' van.

'Het ergste was dat ik daar niet mocht lezen,' klaagde hij tegenover NRC Handelsblad. 'Ik heb een jaar lang geen kennis opgedaan! (...) Lachen mocht daar niet, dan kreeg je een opsodemieter. (...) Na het ontbijt moest je aardappelen schillen. Ik was erbij toen een jongetje in zo'n enorme aardappelemmer is gestort, verdronken en verbrand.'
Met het omzetten van zulke huiveringwekkende verhalen in romankunst bewees hij zijn schrijverschap, maar waarom vertélde hij erover, veelal met tranen in de ogen, alsof het hem allemaal overkomen was? Waarom zei hij in interviews dat 'Vati' en 'Mutti' (die in werkelijkheid gewoon papa en mama werden genoemd) na de scheiding alle foto's van de kinderen hadden verscheurd? De albums zijn er nog! 'Begin jaren tachtig zaten Boudewijn en ik bij onze moeder in de tuin,' zegt Patrick Buch. 'Ik vroeg hem op een vriendelijke manier waarom hij zulke rare verzinsels rondstrooide. Hij keek me een paar minuten zwijgend aan. Toen stond hij op en vertrok.'

Zijn gezonde belangstelling voor geld had hij met zijn vijf broers gemeen. De armoede die ze thuis in de magere jaren hadden gekend, zou hun niet nóg eens overkomen. Probleem was alleen dat Boudewijn aan het opbouwen van zijn antiquarische verzameling meer uitgaf dan hij te besteden had. Halverwege de jaren zeventig legde de fiscus ('vanwege drie à vier ton schuld', weet Ros) beslag op zijn bezittingen.

Peter van Zonneveld stichtte met een paar andere bewonderaars een 'vriendenfonds' om de financiële nood te lenigen. 'Ik heb een tijdlang tien procent van mijn inkomen aan hem afgedragen, samen met nog een aantal mensen waarvan ik de namen niet zal onthullen. Iedereen vond het doodzonde als die bibliotheek verloren zou gaan. Totdat de vader van Boudewijn stierf en een grote erfenis zou hebben nagelaten. Toen hoefde het niet meer. Van dat geld wilde Boudewijn een villa kopen in de Betuwe, een soort schrijvershuis waar mensen die hem geholpen hadden, ongestoord konden werken.'

Büch vertelde dat het om 'twee miljoen' ging, maar broer Patrick herinnert zich dat er voor elk van de broers iets van zevenhonderd gulden overschoot. Toen de schrijver in 1981 Leiden verliet om in Amsterdam voor het universiteitsblad Folia te gaan werken, liet hij zijn salaris overschrijven 'naar een of andere stichting in Leiden', weet toenmalig hoofdredacteur Sjaak Priester. 'Boudewijn kwam zelden op de redactie. Hij werkte thuis en schreef vooral columns, die later gebundeld werden. Vier boeken in totaal.'

Ja, hij pakte het handig aan en was bedreven in het maximaal uitponden van zijn materiaal. Zo'n stuk in een universiteitsblad werkte hij later om tot een artikel in een beter gelezen, landelijk blad, daarna besprak hij het onderwerp voor de radio of in een lezing, en ten slotte rolde er een boek uit.

In 1983 maakte hij een interview met de door hem bewonderde Gerard Reve voor Het Parool ('Mulisch en Reve moeten in een communistisch concentratiekamp worden doodgeknuppeld'), dat zóveel stof deed opwaaien, dat Aad van den Heuvel er een niet minder geruchtmakend televisieprogramma aan wijdde. Boudewijn Büch deed het goed op het scherm en kreeg, na nog een aantal gastoptredens bij Sonja Barend, in 1984 zijn eigen televisiehoekje bij de Vara. Dat was het begin van een perpetuum mobile dat achttien jaar standhield. Büch werd de meest gevraagde en meest productieve schrijver van Nederland, alom tegenwoordig in pers, radio en televisie.

Maar wat dreef hem nu wérkelijk tot zijn nimmer aflatende ijver?
'Een enorme geldingsdrang. Hij zei dat hij wraak wilde nemen op de wereld,' weet Van Zonneveld.
'Als autodidact wilde hij bewijzen dat hij iedereen kon overtreffen. Hij schreef meer, hij wist meer, was beroemder en had een grotere bibliotheek dan al die fucking doctorandussen bij elkaar,' vermoedt oud-journalist Mark Blaisse die tot 1985 met Büch bevriend was.

'Het was niet eenduidig wat hij precies wilde,' zegt Emile Brugman, die tussen 1982 en 1995 bij de totstandkoming van Büchs boeken betrokken was, eerst als redacteur bij de Arbeiderspers, later als directeur van uitgeverij Atlas. 'Hij had niet de ambitie om de grote Nederlandse roman te schrijven. Op een gegeven moment stond alles wat hij deed alleen nog in het teken van zoveel mogelijk geld verdienen. Dat had hij nodig om kennis en boeken te verzamelen. Aan dat doel werd alles ondergeschikt gemaakt.'

Ze waren bevriend. Brugman reisde mee naar de eerste eilanden waar De wondere wereld van Büch werden opgenomen. 'Boudewijn dronk toen nog, maar zodra de camera ging draaien, waren zijn rothumeur en kater op slag verdwenen en zag hij er twintig jaar jonger uit. Hij was erg bedreven in het aanmeten van de rol die hij geacht werd te spelen.' Ze hebben wat afgelachen samen; er waren tijden dat ze elkaar dagelijks spraken.

'Ik denk nog steeds met plezier aan die periode terug, maar op een gegeven moment moest zo'n vriendschap met hem kapot. Daar kon je op wachten,' zegt Brugman. 'Hij geloofde in zijn fantasieën. Ook al spraken we er nooit over, hij voelde aan dat ik wist dat veel van zijn verhalen niet klopten. Die gedachte ging hem benauwen. Daardoor zijn we uit elkaar gedreven.'

Boudewijn Büch laat drie grachtenappartementen na en een bibliotheek met ruim honderdduizend zeldzame boeken. Er is geen testament. De erfenis gaat naar de familie.

Rondom Boudewijn Büch
Rudie Kagie interviewde ook een aantal mensen rondom Boudewijn Büch:




Interview Harry Prick, Boudewijns Büchs pseudo-vader

Boudewijn Büch onderhield een gepassioneerde vriendschap met literatuurhistoricus Harry Prick, tot hij de relatie abrupt verbrak. In zijn getuigenis die deze week verschijnt, geeft Prick zijn visie op de wonderlijkste man die hij in zijn leven ontmoette.


21-05-2005
Door Rudie Kagie

De vraag had de eminente, bijna tachtigjarige literatuurhistoricus dr. Harry G.M. Prick verwacht, maar het is, antwoordt hij, niet waar dat hij louter in ‘wrok’ terugdenkt aan Boudewijn Büch die hem jarenlang op onovertroffen wijze belazerde. ‘Wrok en rancune zijn mij vreemd,’ zegt Prick gedecideerd in zijn professorale studeerkamer, bij hem thuis in Maastricht. ‘Wat voor mij vooral telt is hoe belangrijk het contact met Boudewijn voor me was. Vergeet niet dat ik uit een zeer beschermd Limburgs milieu kom. Als ik met vrienden op stap ging in Aken, dan drukte mijn vader me bij thuiskomst op het hart dat, terwijl ik zo zorgeloos een biertje zat te drinken, de meest verschrikkelijke dingen in de wereld hadden plaatsgevonden. Aan dat schuldgevoel houd je iets over, maar dat heeft Boudewijn helemaal weggepraat. Ik ken geen tweede mens met wie ik zo vertrouwelijk heb kunnen spreken. Doordat hij zo schaamteloos openhartig was en mij zelfs dingen vertelde die ik liever niet wilde horen, kwam ik zelf ook los. Hij was een meeslepend verteller. Met niemand heb ik zo gelachen als met hem. Dat veel verhalen achteraf niet waar blijken te zijn, vind ik het ergste niet. Ik heb nooit uitgerekend hoeveel geld hij me heeft gekost, maar ik weet het wel ten naaste bij. Het is véél, maar daar ben ik zelf bij geweest. Het enige waar ik nooit overheen zal komen is dat hij me zo heeft betrokken en liet meeleven in het verdriet na het overlijden van zijn zoontje. Ik heb hem geld gegeven om de as te verstrooien, ik heb hem getroost en we hebben er urenlang over gepraat. Toen vorig jaar kwam vast te staan dat het dode kind een verzinsel was, voelde ik me met terugwerkende kracht ongelooflijk door Boudewijn verneukt. Zo mag je niet met de sentimenten van iemand omgaan. De rest heb ik hem vergeven.’

Op basis van bewaarde correspondentie, dagboeknotities en herinneringen schreef Prick Een andere Boudewijn Büch, terugblik op een vriendschap. Het eerste exemplaar van dit boek wordt deze week feestelijk overhandigd aan Patrick Buch, de broer van Boudewijn die het zijne aan het demasqué bijdroeg. Dat de presentatie plaatsvindt in het Letterkundig Museum te Den Haag, is niet zonder symboliek. In dat instituut drukten Henricus Gerardus Mattheus Prick en Boudewijn Maria Ignatius Büch elkaar dertig jaar geleden voor het eerst de hand.

De állerwonderlijkste man die in het leven van Prick figureerde, was de excentrieke Tachtiger Lodewijk van Deyssel (1864-1952) over wie hij een tweedelige biografie schreef, tweeënhalfduizend pagina’s in totaal. Maar de wonderlijkste man was natuurlijk Boudewijn Büch (1948-2002), die van meet af aan ‘een door en door verliteratuurde reactie’ aan Prick ontlokte. De historische eerste ontmoeting vond plaats op maandag 17 juni 1974 om twee uur ’s middags in de werkkamer van conservator Prick in het Letterkundig Museum. De drieëntwintig jaar jongere – naar later bleek: zelfbenoemde – ‘student wijsbegeerte en Germaanse letteren’ Büch had telefonisch gevraagd om een onderhoud dat van een bijzondere belangstelling voor Van Deyssel getuigde. Tijdens het gesprek imponeerde de bezoeker door een buitengewone eruditie en belezenheid. De vonk sloeg over. Prick raakte op slag bevriend met de ontluikende dichter, toekomstige schrijver en latere televisiepersoonlijkheid.

Binnen vier maanden resulteerde het contact in een stapel zorgvuldig geformuleerde brieven van de jeugdige bolleboos, meer dan tweehonderd A4’tjes in totaal, ‘bijna zonder uitzondering getypt met inachtneming van een extreem minieme interlinie, alsook met een smalst denkbare kantlijn en nauwelijks een boven- en benedenmarge’. Zes jaar lang bracht Büch vrijwel elke woensdagavond door bij het echtpaar Prick in Delft. Zijn mentor begeleidde het prille dichterschap en bewerkstelligde de publicatie van het poëziedebuut Nogal droevige liedjes voor de kleine Gijs (1976). ‘Jij bent eigenlijk mijn vader zonder het ooit te zijn,’ schreef Büch op 15 maart 1975 aan Prick. In een volgende brief, een paar dagen later: ‘Ik ben eigenlijk heel gelukkig omdat jij bestaat en zolang jij bestaat en wij zulke avonden hebben als gisteren, dan blijf ik.’ Toch was hij bang dat de unieke verstandhouding zou stranden, getuige de brief van 29 juni 1975: ‘Indien je ooit mocht twijfelen aan mijn vriendschap, lees dan Novalis, indien je niet meer van mij houdt, onthoud mij dat dan maar en veins dan nog maar jaren alsof.’

Uiteindelijk was het Boudewijn Büch zélf die in 1980 de gepassioneerde relatie verbrak. De formele reden die hij voor de breuk aanvoerde, was te onnozel om geloofwaardig te zijn. Hij bezwoer huize Prick te vermijden zolang daar een bepaald empirezuiltje stond dat hem niet beviel. In werkelijkheid zal hij hebben voorvoeld dat hij op het punt stond om te worden ontmaskerd als een fantast. Boudewijn was zo onverstandig geweest om zijn favoriete broer Patrick te introduceren bij Prick, die het weldra duizelde van alles wat hem ter ore kwam. Welnee, pa Büch had bij zijn overlijden zijn zonen helemaal geen talloos veel miljoenen nagelaten. En wát, had Boudewijn zich tweemaal wegens het zogenaamd behalen van een doctoraal uitbundig laten fêteren door het echtpaar Prick? Nou, volgens Patrick was zijn broer nog steeds apetrots op zijn mulo-diploma. Nee, er was geen buitenhuis in de Provence, de antiquarische bibliotheek van vader besloeg in werkelijkheid net genoeg streekromans om een Tomado-rekje mee te vullen, er werd thuis geen Duits gesproken en vermeende jeugdtrauma’s bleken onmogelijk te herleiden tot ware gebeurtenissen. Prick kreeg de kans niet om zijn protégé met de keerzijde van diens verbluffende confidenties te confronteren. Boudewijn liet niet meer van zich horen en zou er in 1982, twee jaar na de breuk, op een verjaardagsfeestje ten huize van Gerrit Komrij álles aan doen om zijn vroegere vriend te ontlopen.

Zelf had Prick op zeventienjarige leeftijd Van Deyssel leren kennen, die hem inwijdde in de letteren en hem aanwees als zijn toekomstige biograaf. Onderdeel van de vriendschap was dat de leerling het oeuvre van de meester volledig beheerste. Als Van Deyssel een frase uit zijn elfdelige Verzamelde Opstellen reciteerde, wist Prick uit het hoofd in welk deel en ongeveer op welke pagina die stond. De verstandhouding die later tussen Prick en Büch opbloeide, vertoonde contouren die overeenkwamen met de relatie tussen Van Deyssel en Prick. ‘Die parallellen trokken we zelf ook, daar maakten we grappen over,’ vertelt Prick. ‘Voor mij was het natuurlijk erg aangenaam dat Boudewijn niet alleen alles van Van Deyssel had gelezen, maar ook alles wat ik daaraan had toegevoegd. De complimenten die hij daarover op mij afvuurde, kietelden mij op een prettige manier. Zelf dweepte Boudewijn vooral met Johann Peter Eckermann, de schrijver van Gespräche mit Goethe in den letzten Jahren seines Lebens. Dat boek kende hij praktisch uit het hoofd en had hij vaak bij zich. In lacherige ogenblikken riep hij uit dat ik zijn Eckermann was. Hij vond dat ik later zijn biografie moest schrijven. Houd op, Boudewijn, zei ik dan, jij overleeft mij natuurlijk. Dat sprak hij altijd tegen, want Boudewijn wilde in geen geval vijftig worden en veertig eigenlijk ook niet. In mijn boek citeer ik de passage waarin Boudewijn me schrijft dat zijn biografie aan de hand van zijn brieven en dagboeken vrij eenvoudig is samen te stellen. Ik behoor tot de zeer begenadigden die dagboeken van Boudewijn mee naar huis mochten nemen. Nee, ik heb niets gefotokopieerd, daar ben ik te fatsoenlijk voor. Misschien heb ik af en toe een jaartal of naam genoteerd. De dagboeken die ik te lezen kreeg, stonden bol van verwijzingen naar het geheime dagboek en het ultrageheime dagboek dat hij er simultaan op na hield. Dat materiaal bevindt zich nu in verzegelde dozen bij het Letterkundig Museum. Pas in 2030 mag het worden ingezien, maar ik vrees dat tegen die tijd nog weinig mensen weten wie Boudewijn Büch was.’

Het intellectuele discours tussen Prick en zijn vriend kende welhaast therapeutische momenten. De brieven waarin Büch uitvoerig inging op zijn fascinatie voor jongetjes (een geheime passie die hij overigens deelde met Van Deyssel) had de ontvanger bij nader inzien graag ter beoordeling aan een professionele hulpverlener voorgelegd, maar aan de andere kant kon het geschonken vertrouwen niet zomaar worden geschonden. ‘Ook bij het schrijven van dit boek heb ik mezelf wat dat betreft heel wat restricties opgelegd,’ zegt Prick. ‘Boudewijn was als briefschrijver op zijn best als het over jongens ging. Zijn proza bereikte een ongekende literaire hoogte zodra hij schreef over Gijsje, over Robbie, over Paultje of hoe die jongens maar heetten. Dat hij zichzelf voorstelde hoe die jongens eruitzagen als ze lagen te slapen of dat ze zichzelf aftrokken, dat soort dingen. Daar kan ik natuurlijk niet uit citeren. Die mensen leven nog en als ik ze X zou noemen, is het effect weg. Over de vrouwen die hem aanbaden, want hij werd aanbeden door vrouwen, schreef en sprak hij wat ruwelijk. Dan was het opeens van: vergeleken bij Robbie stelt zo’n wijf niets voor. Nee, ik denk niet dat hij ooit seks met jongens gepraktiseerd heeft. Het bleef bij onvervulde liefde, daar schreef hij vaak over. Elke schrijver wordt het meest eloquent als hij het thema aanroert dat hem het meest fascineert. Bij Boudewijn waren dat jongetjes. Dat dit zo was, zou ik kunnen aantonen als ik niet daarmee hun privacy zou schenden.’

Tussen 1974 en 1980, de jaren waarin hij intensief met Prick omging, leefde Büch van een uitkering. Of hij inderdaad de psychofarmaco-historische colleges aan de Rijksuniversiteit van Utrecht gaf, waar hij uitvoerig over vertelde, kan ernstig betwijfeld worden. Hij zat chronisch krap bij kas. ‘Van alle mensen die ik van mijn leven heb gekend, was er niemand met zo’n klein beursje als dat van Boudewijn,’ vertelt Prick. ‘Een heel klein damesbeursje waar niets of heel weinig inzat. Als we bij de kassa van De Slegte stonden, had hij daar meestal een boek neergelegd waar zijn oog op was gevallen. Hij verroerde geen vin, dus dat boek kreeg ik te betalen. Er zat iets berekenends in zijn gedrag. Mijn vrouw en ik hebben geen kinderen, hij afficheerde zich een beetje als onze pseudo-zoon. Hij was op zoek naar een vader en beweerde die min of meer in mijn persoon gevonden te hebben. Op woensdagavond aten we altijd met z’n drieën. Daarna sprak ik tot een uur of elf met Boudewijn op mijn kamer. Het laatste uur, voordat de laatste trein van Delft-Zuid naar Leiden vertrok, brachten we weer met zijn drieën door. Dan gingen we nog wat drinken, voor zover we dat niet eerder hadden gedaan. Hij verzuchtte hoezeer hij ertegenop zag om straks weer eenzaam op zijn kamer in Leiden te zitten. “Dan schenk je jezelf een glaasje wijn in, je neemt een mooi boek ter hand en je zet een plaat van de Stones op,— probeerde mijn vrouw hem op te beuren. Ja, dat mooie boek en die plaat van de Stones had hij wel, maar we moesten niet denken dat hij het geld had om wijn te kopen. Hij mocht dus een fles uit onze voorraad meenemen, dat werd een gewoonte eigenlijk. Zoals het een gewoonte werd dat hij, als we komend uit het station langs een benzinepomp liepen, hij daar voor mijn rekening een pakje sigaretten kocht. De volgende keer vroeg hij: twéé pakjes sigaretten, zou dat ook mogen? Dat werden er drie en uiteindelijk vier. Hoger ben ik nooit gegaan. Op woensdagavond kreeg Boudewijn vier pakjes sigaretten en een fles wijn. Daar hield ik rekening mee bij de budgettering.’

Later, toen de Sociale Dienst beslag op de bibliotheek dreigde te leggen, participeerde Prick in het ‘vriendenfonds’ dat maandelijks een substantieel bedrag op Boudewijns gironummer 2679642 stortte, volgens de memoires ‘een getal dat ik in die dagen weldra uit het blote hoofd kon opdreunen’. Nog weer later, na de door Büch geforceerde breuk, vroeg zijn mecenas, coach en ‘pseudo-vader’ zich af wat hij verkeerd had gedaan. ‘Dat rouwproces over die verloren vriendschap was al begonnen toen Boudewijn de kant opging van veel geld verdienen,’ zegt Prick. ‘Ik zag iets in zijn gedichten, niet in zijn proza. Ik heb hem weleens gezegd dat ik een groot dichter van hem zou kunnen maken, maar dan zou hij bereid moeten zijn zich te laten vastbinden aan een tafel totdat hij iets had afgeleverd waar hij trots op kon zijn. Het is natuurlijk onmiskenbaar dat de televisie hem heeft bedorven. Hij had het in zich om uit te groeien tot een groot dichter, maar dan had hij niet verstrikt moeten raken in duizend en één andere dingen. De Boudewijn Büch die ik gekend heb, was een heel andere dan die bekend werd bij het grote publiek.’




De ‘zoon’ van Boudewijn Büch

Anderhalf jaar na de dood van Boudewijn Büch kwam aan het licht welk geheim de auteur meer dan dertig jaar met zich mee had gedragen. Het verhaal over zijn dode kind – centraal thema in zijn leven en werk – bleek verzonnen. Hoe het écht in elkaar zit, wil Boudewijn Iskander Pronk graag vertellen. ‘Het is echt een krankzinnig verhaal. Ziek. Absurd. Bizar.’


11-09-2004
Door Rudie Kagie

In het voorjaar van 1970 vertelde Boudewijn Büch aan iedereen die het maar horen wilde over zijn getob met het pas verworven vaderschap. De omstandigheden klonken inderdaad te ingewikkeld om van pril geluk te kunnen spreken. Hij woonde in Leiden. De moeder woonde met wettige echtgenoot en baby onder enigszins kommervolle omstandigheden in Den Haag. Het ging om een vroegere tekenlerares die hem na een alcoholische uitspatting in bed zou hebben gelokt. De betrekkelijke vreugde die hij aan drie seconden zaadstorting beleefde, woog niet op tegen de consequenties die hem de rest van zijn leven zouden achtervolgen. Hij zat daar vreselijk mee. Boudewijn kondigde aan dat hij zijn verantwoordelijkheid als vader zou accepteren. Hij wilde dat het kind zijn achternaam kreeg. Boudewijn Iskander heette het, genoemd naar de trotse vader. Het geboortekaartje was het bewijs. Met Marianne Verweij, de moeder, onderhield hij geen relatie. De enige reden dat hij er wekelijks over de vloer kwam, was dat hij zijn zoon wilde zien. Over de acteur Coen Pronk die met Marianne getrouwd was, sprak hij zelden.

In de loop van 1975 maakte Boudewijn zich ernstig zorgen over de vraag hoe het verder moest. Hij zei dat Marianne alcoholiste was en het kind aan zijn lot overliet. Boudewijn vond dat hij moest ingrijpen. Via vrienden in Leiden vond hij een echtpaar bereid om zich als pleegouders over de kleine Boudewijn Iskander te ontfermen.

Op een nazomerdag in 1975 trakteerde Boudewijn Büch het toen vijfjarige ventje op een gezellig uitstapje naar Amsterdam. Hoogtepunt van de dag werd een bezoek aan Artis. Aan het einde van de middag troonde Boudewijn de jongen mee naar café De Zwart aan het Spui. Aan de toog trof hij zijn beste vriend Peter van Zonneveld, precies zoals in De kleine blonde dood beschreven staat. In het boek werden een paar kleinigheden veranderd: Boudewijn Iskander kwam Micky te heten, maar dat Micky zich niet lekker voelde en een mix van chocomel en gevulde koeken uitkotste over het jasje van pappa Boudewijn klopte weer wél. Fleurette, de vriendin die volgens de roman gebeld werd met het verzoek om vader en zoon in Amsterdam op te halen, heet in werkelijkheid Bernadette Gallis. Ze kwam inderdaad voorrijden en transporteerde het tweetal naar Den Haag. Jaren later, toen sceptici het in smart gesmoorde vaderschap van Büch in twijfel trokken, konden twee getuigen bevestigen dat ze het kind werkelijk hadden gezien. Heerlijk joch, trouwens. Sprekend Boudewijn.

Op een decemberdag in 1975 zat een echtpaar in Leiden vergeefs te wachten op de komst van een pleegkind voor wie al een kamertje was ingericht. Boudewijn Büch zou Boudewijn Iskander komen brengen, maar hij was depressief en liet zonder bericht verstek gaan. In gezelschap van zijn vrienden Jacques van Alphen en Peter van Zonneveld was hij naar Parijs vertrokken om op verhaal te komen. De dagen tussen Kerstmis en nieuwjaar brachten Büch, Van Alphen en Van Zonneveld dat jaar door in een vakantiehuisje op Terschelling.

Het stormde. Boudewijn stikte van de zenuwen. Hij vertelde zijn vrienden dat zijn zoon met een mysterieuze kwaal was opgenomen in het Haagse Zuidwal-ziekenhuis. Hij wilde zo snel mogelijk weg van het eiland om te zien hoe het met de kleine blonde ging. Ze namen de eerste boot naar het vasteland. Op de thuisreis was Boudewijn voor zijn doen buitengewoon zwijgzaam. Hij verdroeg niet dat zijn vrienden met hem mee op ziekenbezoek gingen. Verslagen keerde hij uit het Haagse hospitaal terug: Boudewijn Iskander lag in coma. Volgens artsen was zijn toestand kritiek. Er bestond geen kans op genezing van de hersentumor die bij het patiëntje was vastgesteld.

Twee weken later, op 16 januari 1976, kwam het verschrikkelijke nieuws. De kleine blonde had het niet gered. Het kind was overleden. ‘Ik heb de emoties gezien die op dat moment bij Boudewijn naar boven kwamen. Die waren niet gefingeerd,’ zegt Van Alphen. ‘Hij was ontroostbaar, volstrekt van de kaart,’ herinnert Bernadette Gallis zich. ‘Zo droevig als toen had ik hem nog nooit meegemaakt,’ vertelt Van Zonneveld.


Boudewijn liet weten dat hij had besloten om de uitvaart in het crematorium van Ockenburg te Den Haag in opperste beslotenheid te laten plaatsvinden. Dit was iets dat hij alleen moest doen. Hij wilde in stilte afscheid nemen, zonder dat daar iemand bij was. ‘Je bent nu al bezig om er literatuur van te maken,’ verweet Van Zonneveld hem, maar ook hij respecteerde het besluit. Dit was niet het moment om ruzie te maken. Een andere vriend, conservator Harry G.M. Prick van het Letterkundig Museum, betaalde zestig gulden voor de urn. Boudewijn had hem laten weten dat hij financieel krap zat.

Het verlies van een zoontje werd het centrale thema dat – met uitzondering van Links! – alle romans van Boudewijn Büch met elkaar verbindt. Ook als dichter was het drama voor hem een onuitputtelijke bron van inspiratie. In interviews vertelde hij openhartig over het verdriet dat als een schaduw over zijn leven hing. Snikkend deed hij in 1985 zijn relaas aan Cosmopolitan: ‘Mijn zoontje was echt niet te redden. Een paar jaar van mijn leven is hij mijn enige houvast geweest. Ik heb jaren gehad dat ik rookte, spoot en zoop. Het idee dat ik juist met hem, als een van de weinige mensen, een hechte relatie heb gehad en bij wie ik me altijd ontzettend gelukkig voelde… Ik heb nooit gedacht: dat gezeik van dat kind. Ik vond het altijd heerlijk om hem te zien. De dag dat we samen naar Artis zijn geweest… dat waren de gelukkigste uren van mijn leven. Een kinderdood is het ergste dat je kan treffen, vooral als het om een jongetje gaat dat lievelingsplaten heeft. Dat tegen me zei: “Boud, zet ‘Satisfaction’ van de Stones eens op.—’

Tot aan de dood van de schrijver stond een ingelijste foto van een blond kereltje bij hem thuis op het dressoir. De journalist Mark Blaisse, die met hem bevriend was, herinnert zich hoe Boudewijn bij hem op bezoek kwam en verlangde dat de kinderportretten in de kamer werden omgedraaid: ‘Hij kon het niet aan, de foto’s deden hem te veel aan zijn overleden zoontje denken.’

Na afloop van een lezing zei Boudewijn tegen fotograaf Klaas Koppe: ‘De moeder van mijn zoon zat vanavond in de zaal.’
Op het perron van Leiden ving Van Zonneveld een glimp op van de vrouw die de moeder van de kleine blonde zou zijn. ‘Boudewijn ging even naar haar toe om iets te zeggen, maar ik moest een eind verderop wachten. Ik had het wel leuk gevonden als ze aan mij was voorgesteld, maar hij wilde die werelden strikt gescheiden houden.’

‘De enige keer dat ik Boudewijn Iskander heb gezien, was toen ik hem en Boudewijn in Amsterdam ging ophalen,’ zegt Bernadette Gallis. ‘Ik mocht hem absoluut niet afleveren voor het huis waar hij woonde. Dat moest een paar straten verderop gebeuren, omdat de moeder van dat jongetje ziekelijk jaloers zou zijn.’

Anderhalf jaar na de dood van Boudewijn Büch zagen sceptici hun twijfel bevestigd toen aan het licht kwam welk bizar geheim de auteur meer dan dertig jaar, het grootste deel van zijn leven dus, onder het hart had gedragen. Er was geen dood kind. Het verhaal bleek verzonnen, precies wat broer Patrick Buch altijd al had gedacht. Hij weet nog hoe Boudewijn al in 1967 tijdens het avondeten zijn moeder choqueerde met de mededeling dat hij binnenkort vader zou worden. Patrick Buch: ‘Dat idee zat tóén al in zijn kop. Toen Marianne drie jaar later inderdaad zwanger was, strooide Boudewijn het verhaal rond dat hij daar verantwoordelijk voor was. Boudewijn en ik gingen in die tijd intensief met elkaar om en vertelden elkaar de intiemste dingen. Dat hij tegenover mij met geen woord over dat kind repte, sterkte me in de overtuiging dat de geboorte en later de dood zich uitsluitend in zijn hoofd afspeelden. Hij had trouwens een operatieve ingreep achter de rug die het hem voor de rest van zijn leven onmogelijk maakte om een kind te verwekken.’

Patrick Buch besprak de pseudologica fantastica van zijn broer met collega-adviseur Ton van de Wiel, een psycholoog met ervaring als psychotherapeut. De expert legde hem uit dat er al op jonge leeftijd iets moet zijn misgegaan in het brein van de onbegrepen Boudewijn. Dat moet merkbaar zijn geweest, maar werd niet onderkend. Doordat niemand doorzag hoe hij in elkaar stak, verschanste hij zich in een door hemzelf gecreëerde fantasiewereld. Hij werd de hoofdrolspeler in zijn superieure totaaltheater. Vrienden en familieleden beschouwde hij als niet meer dan figuranten; een visie op het bestaan die ook wel solipsisme wordt genoemd. Zijn slopende behoefte om het toneel te beheersen, bracht hem voortdurend in problemen. Hij kon het fabuleren niet laten, maar ontmaskering was voor hem het bewijs dat hij niet serieus werd genomen. Vervolgens ging hij op zoek naar iets nieuws, iets groters, vastbesloten om uiteindelijk zijn zelf uitgeschreven wedstrijd met de werkelijkheid te winnen. Volgens Van de Wiel moet Boudewijn hebben geleden onder zijn psychische ongemak, dat hem zowel eenzaam maakte (zijn duistere zieleroerselen kon hij met niemand delen) als bang (hij kon elk moment door de mand vallen). Paradoxaal genoeg stimuleerden juist de eenzaamheid en de angst hem weer in het bedenken van nieuwe verzinsels, want naarmate meer mensen hem volgden in zijn fantasie, voelde hij zich minder alleen en dat maakte hem zekerder van zichzelf, zodat hij minder bang hoefde te zijn.

Saai gezelschap was hij in ieder geval allerminst. Zijn openhartige ontboezemingen over het problematische vaderschap gingen erin als koek. Aangemoedigd door de reacties zette hij het drama nog wat aan, in zijn hart beseffend dat zijn grimmige sprookje ooit verkeerd moest aflopen. Vrienden van hem hadden immers de jongen ontmoet van wie hij beweerde dat het zijn zoontje was. Een tweede confrontatie zou hem fataal kunnen worden, want de kleine blonde ging natuurlijk steeds beter praten en sprak een volgende keer wellicht zijn mond voorbij. Door op zoek te gaan naar een pleeggezin drong Boudewijn zichzelf tot het uiterste in het nauw. Hij had die mensen een belofte gedaan die hij niet kon nakomen. Alleen een morbide oplossing kon hem nog redden uit de netelige situatie waar hij zichzelf in had gemanoeuvreerd. Hij liet het kind sterven. Na dit deus ex machina was er geen weg terug. Tot aan zijn laatste snik zou hij volhouden dat het precies was gegaan zoals hij het uitentreuren had verteld, beschreven in zijn romans en vertaald in hoogstaande poëzie. Hij had tranen met tuiten gehuild, er was geen reden om aan de authenticiteit van zijn verdriet te twijfelen.

Misschien experimenteerde hij, bewust of onbewust, met een psychologische omkering van de feiten. In de zomer van 1975 was zijn vader overleden. Die gebeurtenis greep hem buitengewoon aan, en mogelijk vond hij dat hij iets moest ondernemen zodat anderen eindelijk zouden begrijpen hoezeer hij werd gekweld door de pijn van een onnoemelijk verlies. Zeven maanden na de dood van zijn vader bedacht hij een tweede sterfgeval. Hij werd getroost en begrepen als nimmer tevoren, precies wat hij op dat moment nodig had.

Volgens psycholoog Van de Wiel zal de solipsist figuranten die zijn spel niet meespelen, verstoten. Wantrouwen straft hij met het beëindigen van de vriendschap. Dreigen met zelfmoord maakt deel uit van zijn permanente chantage van iedereen die hem dierbaar is. Als hij zich te zeer in de fuik voelt gedrongen, is het mogelijk dat hij zijn dreigement uitvoert. ‘Ik hang al jaren tegen ophangen aan,’ bekende Boudewijn Büch in 1982 tegenover NRC Handelsblad. Hoe zou hij zich erdoorheen hebben geslagen als tijdens zijn leven was onthuld dat zijn dode zoontje op een hersenspinsel berustte?

Hoe het écht in elkaar zit, wil Boudewijn Iskander Pronk (1970) graag vertellen. Hij heeft altijd geweten dat hij model stond voor De kleine blonde dood; sommige passages uit de roman kan hij zich als waargebeurde herinneringen voor de geest halen. Om te beginnen brengt hij twee essentiële details onder de aandacht. Het kan nooit kwaad om eventuele misverstanden direct de kop in te drukken. Ten eerste: Coen Pronk is wel degelijk zijn biologische vader. Om dat te bewijzen, schuift Boudewijn Iskander twee foto’s tegen elkaar, een van hemzelf en een van zijn vader. Met de hand bedekt hij op beide afbeeldingen mond en neus. Er is geen misverstand mogelijk. Wat zichtbaar blijft, zijn twee paar ogen die op elkaar lijken als, ja, als vier druppels water.

Ten tweede: Marianne Verweij, zijn moeder en wettig echtgenote van Coen Pronk, onderhield absoluut géén amoureuze relatie met Boudewijn Büch. Ook dat weet hij zeker. Toen zijn moeder in 1992 overleed, vond hij een paar brieven die Boudewijn haar geschreven had. Hij wierp een vluchtige blik in de correspondentie, maar het leek hem indiscreet om dat allemaal te gaan lezen. Liefdespost was het in geen geval. Uit literair-historisch oogpunt was het misschien dom, maar de brieven gooide hij weg.

Marianne Verweij was beeldend kunstenares en docente. In 1966 gaf ze kortstondig, van september tot december, tekenles aan de Karel Doorman- mulo in Wassenaar. Haar vrije manier van lesgeven sloot niet aan bij het conventionele onderwijs dat de school voorstond en ze vertrok. Met één leerling bleef ze contact houden. Boudewijn Büch kwam regelmatig op de fiets naar Den Haag en werd een huisvriend van het echtpaar Pronk-Verweij. ‘Hij bleef ook weleens logeren. Dan sliep hij op de bank die nu hier staat. Die heb ik meegenomen uit mijn ouderlijk huis,’ wijst Boudewijn Iskander aan. ‘Destijds was die bank van groen ribfluweel, ik heb hem opnieuw laten bekleden. Ik weet nog dat ik Boudewijn op zondagochtend wakker maakte en dat we met zijn vieren gingen ontbijten. Mijn ouders hadden een heel goed huwelijk. Zoiets voel je aan als kind.’

Huisvriend Boudewijn was dol op zijn naamgenootje; hij wist zich op zijn minst de trotse peetoom en bedacht allerlei leuke spelletjes.

‘Het gekke is dat het dagje naar Artis mijn zuiverste herinnering aan Boudewijn is,’ zegt Boudewijn Iskander. ‘Ik weet nog dat ik ’s morgens uit bed kwam en dat ik tegen Boudewijn zei dat ik me niet lekker voelde. Hij was die nacht bij ons blijven slapen. Volgens hem zou ik me wel beter voelen als we eenmaal onderweg waren. Heen gingen we met de trein, maar het staat me niet meer bij hoe we ’s avonds thuiskwamen. Ik was ziek, hij heeft me zowat de hele dag moeten dragen. Vreemd genoeg herinner ik me niet dat ik in Artis beesten heb gezien. Voor een kind zijn blijkbaar andere dingen belangrijk. Op een rooster stonden paaltjes met een knop erop. Ik wilde op zo’n knopje drukken, maar daar kon ik niet bij. Boudewijn zei dat die paaltjes nergens toe dienden en dat het ook volstrekt oninteressant was. Dat was ik niet met hem eens. We gingen naar een café. Daar heb ik het spijkerjasje van Boudewijn ondergekotst.’

Het bevuilde jasje liet Boudewijn in Den Haag achter, dat zou Marianne Verweij voor hem wassen. Twee weken later lag er een brief van Boudewijn. Hij schreef dat hij ‘voor een jaar naar Afrika’ ging en dat hij voor onbepaalde tijd niets van zich kon laten horen. Verder niets dan hartelijks en de allerbeste wensen, vooral natuurlijk voor Boudewijn Iskander.

Het spijkerjasje bleef zeven jaar aan de kapstok hangen. Toen duidelijk werd dat het niet meer zou worden opgehaald, gooide Marianne het weg.

Van het verdriet over de plotselinge dood van de kleine blonde dat Boudewijn in Leiden voorwendde, was bij de familie Pronk in Den Haag niets bekend.

‘Het is echt een krankzinnig verhaal,’ vindt Boudewijn Iskander. ‘Ziek. Absurd. Bizar. Of hoe je het maar noemen wilt. Toen begon hij erover te schrijven, eerst in De blauwe salon, later De kleine blonde dood. Die boeken zijn voor mijn moeder pijnlijk geweest. Natuurlijk had hij het volste recht om te schrijven wat hij wilde, maar eerst stopte hij de vriendschap en vervolgens kwam hij met boeken waarin hij de rollen omdraaide. Als iemand zonder opgave van redenen een vriendschap beëindigt, dan geeft dat een gevoel van onmacht. Dat gevoel werd versterkt door romans waarin hij de situatie bij ons thuis in een vervelend daglicht stelde. Ik kan niet zeggen dat ik De kleine blonde dood een meesterwerk vind. Het is een beetje rommelig, een samenraapsel van allemaal losse verhalen. Twee hoofdstukken berusten deels op realiteit, de rest is verzonnen. Het viel me op dat hij de personages nergens uitdiept. Als je het boek leest, zie je geen gezichten voor je, maar schimmige gedaanten. Het komt niet echt tot leven. Wat overblijft, zijn de emoties en die haalde hij bij ons vandaan. Je kunt je afvragen waar ik me druk over maak, want het is niet mijn moeder, maar een fictief persoon die hij beschrijft. Dat is zo, maar zoiets ligt toch anders als je zelf de emotie bent. Dan weet je als je zo’n boekje leest: dit gaat over ons. Hij beschrijft ijssalon Torino, nou, dat was bij ons om de hoek, daar haalde ik ijsjes als kind. Lang geleden heb ik de film De kleine blonde dood gezien, maar die raakte me minder dan het boek. Ik had geen moment het idee dat die film over mij ging. Ik ben al mijn hele leven dat figuurtje uit dat boek. Ik weet niet wat ik daar mee moet.’

Büch vertelde zijn vrienden in Leiden dat Marianne niet in staat was om voor haar zoon te zorgen omdat ze alcoholiste was. Nu blijkt dat ook dit verhaal deel uitmaakte van zijn mythe.

‘Mijn moeder had diabetes en ze moest juist heel voorzichtig zijn met drank,’ zegt Boudewijn Iskander. ‘Ik ben onder zeer gelukkige omstandigheden opgegroeid. Mijn moeder was erg leuk voor mij als kind. Ze was natuurlijk een artistieke vrouw. Ze maakte koffertjes voor mijn speelgoed en die beschilderde ze. Ik had Playmobil. Ze kocht een plaat hout en dan schilderde ze op de ene kant een landschap en op de andere kant een weg waar ik met mijn Playmobil overheen kon. Hartstikke leuk, op dat soort dingen kijk ik alleen maar met warmte terug. Mijn ouders hadden gewoon een goed huwelijk. Na tien jaar zijn ze gescheiden, maar dat ging in harmonie, zonder ruzie. Mijn moeder kreeg een leuke vriend, mijn vader een andere vrouw. Ik ben dol op mijn stiefmoeder, ik ben haar als mijn moeder gaan beschouwen. Ik heb aan die scheiding geen wond overgehouden. Mijn ouders gingen uit elkaar, maar ik kreeg er veel voor terug.’
Begin jaren tachtig, kort na de scheiding, voerde Marianne Verweij nog een zakelijke correspondentie met Boudewijn Büch.

‘Over geld,’ weet haar zoon. ‘Boudewijn had ooit vijfduizend gulden van haar geleend en dat nooit terugbetaald. Omdat Boudewijn in die tijd steeds bekender werd en vaak op de televisie verscheen, vond ze dat hij onderhand over de brug moest komen. Daar is toen een briefwisseling over geweest. Hij had het geld niet. Uiteindelijk heeft iemand anders die vijfduizend gulden betaald. Een fan van Boudewijn. Via via weet ik dat Boudewijn er laaiend over was dat mijn moeder dat geld terug wilde. Mijn moeder had op dat moment iets van: eerst laat je ons keihard vallen en terugbetalen doe je ook al niet. Het is rot dat het op die manier is afgelopen, maar aan de andere kant: als bij ons thuis vroeger de naam Boudewijn viel, hing daar aanvankelijk geen negatieve sfeer omheen. Beslist niet, er was geen rancune. Mijn ouders hebben ontzettend gelachen met die man. Ze vonden het heel jammer dat daar een einde aan kwam, maar ze respecteerden zijn besluit om naar Afrika te gaan. Hij wilde een nieuw leven beginnen en al het oude achter zich laten. Dat was wat hij schreef en daar viel niks aan te doen. Pas later, toen bleek dat hij in die tijd niet in Afrika is geweest en hij boeken begon te schrijven over zijn dode kindje, veranderde het beeld dat mijn ouders van Boudewijn hadden.’
Begin jaren negentig ging de gezondheid van Marianne Verweij hard achteruit. Ze verzwakte en versomberde. Ze had geen zin meer in het leven. Boudewijn Iskander laat een schilderij zien dat zijn moeder in haar nadagen maakte: een vuurbal te midden van een blauw-paars getint vlak. Haar allerlaatste kunstwerk heeft hetzelfde thema, alleen is daarop de vuurbal veel groter, een huiveringwekkend symbool voor het lot dat dichterbij was gekomen. Boudewijn Iskander: ‘Diabetespatiënten leven op een tijdbom en takelen steeds verder af. Mijn moeder heeft dat niet willen meemaken. Op een gegeven moment stond ze hier voor de spiegel en zei: “Mijn haar zit niet goed.— Kort daarna was ze dood.’

Marianne Verweij overleed op 22 februari 1992.
Boudewijn Büch liet niets van zich horen, maar hij moet van het droeve nieuws op de hoogte zijn geweest. Coen Pronk had te zijner attentie een rouwkaart naar de Vara gestuurd.

Büch had beloofd dat hij op 23 oktober 1992 naar de filmset zou komen waar De kleine blonde dood werd gedraaid. Op het laatste moment belde hij af. ‘Ik kan niet komen,’ excuseerde hij zich tegenover regisseur Jean van de Velde. ‘Ik moet vandaag naar de begrafenis van de moeder van mijn kind.’

In de tweede week van mei 1993 ging de film in première. Tegen hartsvriendin Bernadette Gallis zei Büch: ‘Bij de moeder van mijn kind rakelde de film meer emoties op dan ze aankon. Ze raakte in een diepe depressie en heeft zelfmoord gepleegd.’

Boudewijn Iskander heeft weleens overwogen om bij het huis van Boudewijn Büch aan te bellen. Hij had geen adres, maar het moest mogelijk zijn om daar achter te komen. Gewoon even kijken hoe Büch zou reageren. Uit interviews bleek dat hij een ingelijste foto van een blond jochie had staan van wie hij beweerde dat dit zijn jong gestorven zoontje was. Naar die foto was Boudewijn Iskander nieuwsgierig. ‘Ik was het van plan, maar het is er niet van gekomen. Opeens was hij dood. Misschien had hij de deur wel dicht geknald als hij mij zou hebben zien staan. Ik heb geen idee.’

Boudewijn Iskander Pronk heeft tegenwoordig een eigen bedrijf. Hij verhuurt geluidsapparatuur en plaatst schotelantennes. Negen jaar lang dreef hij vanuit zijn zolderkamer het piratenstation Dynamic FM, dat onafgebroken housemuziek de ether in joeg. Vijf jaar bivakkeerde hij te midden van zakken gips en metselattributen; de verbouwing van het huis die hij ter hand had genomen, schoot niet op. House, onderlaag, puinhopen. Vanuit de anonimiteit moet Büch de activiteiten van de kleine blonde voortdurend hebben gevolgd. In 1995 verscheen bij uitgeverij Eikenbosch Pers te Hilversum in luxe-editie en beperkte oplage het gedicht ‘Doodsgewicht’, opgedragen aan ‘B.I.’

De eerste strofe luidt:
‘Een dood zo machteloos en traag:
Ik heb de jongen weer zien lopen
Hij is nu Acid House en onderlaag;
zit in de stad op puin te hopen.’ ?


15-03-2003 / Profiel

http://www.vn.nl/Artikel-Literatuur/Bou ... antast.htm
In de erfenis der eeuwen ligt veel wijsheid opgetast. Ook hier geldt: dwaas is hij die zijn eigen geschiedenis versmaadt.
De volgende gebruiker(s) zeggen bedankt: baphomet, Mec, Z-PiLL
Omhoog
Gebruikersavatar
baphomet
Administrator
Administrator
Berichten: 23142
Lid geworden op: za 21 aug 2010, 16:08

vr 01 feb 2013, 02:30

Wat een verhaal! En dat terwijl ik dus altijd nog een topic over hem wilde gaan maken, omdat ik het altijd wel een bijzondere dude vond...

Even laten bezinken dit...

Kom er nog op terug...
1119 AD
De volgende gebruiker(s) zeggen bedankt: Toxopeus
Omhoog
Gebruikersavatar
Mec
Super QFF-er
Super QFF-er
Berichten: 1518
Lid geworden op: vr 17 dec 2010, 19:44

vr 01 feb 2013, 02:33

Tja wat een Dodo was dat
My Jekyll doesn't Hide
De volgende gebruiker(s) zeggen bedankt: baphomet, Toxopeus
Omhoog
Gebruikersavatar
Toxopeus
Administrator
Administrator
Berichten: 4219
Lid geworden op: ma 15 nov 2010, 19:53

ma 04 feb 2013, 01:28

In de erfenis der eeuwen ligt veel wijsheid opgetast. Ook hier geldt: dwaas is hij die zijn eigen geschiedenis versmaadt.
Gebruikersavatar
baphomet
Administrator
Administrator
Berichten: 23142
Lid geworden op: za 21 aug 2010, 16:08

ma 04 feb 2013, 01:55

Bedankt Toxo!

Het blijft een fenomenaal figuur, en ja hij zal ongetwijfeld wel eens wat aangedikt hebben, dat was ook een deel van zijn succes... Hij kon mooi vertellen, hij kon het mooi verpakken en hij wist nog veel beter hoe hij dit te samen op een prachtige manier tot een mooi smeuïg verhaal moest smeden...

Dankzij Büch ben ik me gaan verdiepen in bepaalde dingen. Dankzij Büch ging ik bepaalde muziek luisteren... Dus ik ben hem ergens ook heel dankbaar... De tegenstellingen zijn groot, en de scheidingslijn flinterdun...

Elk verhaal, elk element in het leven kent meerdere verhalen die de verschillende zijden van alle dimensies en het totaal omschrijven...

:blink:
1119 AD
Gebruikersavatar
baphomet
Administrator
Administrator
Berichten: 23142
Lid geworden op: za 21 aug 2010, 16:08

ma 04 feb 2013, 02:01

1119 AD
Gebruikersavatar
baphomet
Administrator
Administrator
Berichten: 23142
Lid geworden op: za 21 aug 2010, 16:08

ma 04 feb 2013, 02:02

1119 AD
Gebruikersavatar
baphomet
Administrator
Administrator
Berichten: 23142
Lid geworden op: za 21 aug 2010, 16:08

ma 04 feb 2013, 02:10

1119 AD
Gebruikersavatar
baphomet
Administrator
Administrator
Berichten: 23142
Lid geworden op: za 21 aug 2010, 16:08

ma 04 feb 2013, 02:21

1119 AD
Gebruikersavatar
baphomet
Administrator
Administrator
Berichten: 23142
Lid geworden op: za 21 aug 2010, 16:08

ma 04 feb 2013, 02:27

1119 AD
Gebruikersavatar
baphomet
Administrator
Administrator
Berichten: 23142
Lid geworden op: za 21 aug 2010, 16:08

wo 06 aug 2014, 00:53

Gebruikersavatar
baphomet
Administrator
Administrator
Berichten: 23142
Lid geworden op: za 21 aug 2010, 16:08

wo 06 aug 2014, 00:58

Boudewijn Büch (1948-2002)

(Noot redacte: het is in de korte tijd die ons voor ieder artikel gegeven is, mede door het in de wereld brengen van vele fantasieverhalen door BB zelf, onmogelijk gebleken een betrouwbare biografie op te stellen. o.a. ook de opgegeven website hierboven bevat vele onwaarheden. Misschien dat er in een later stadium betrouwbaarder bronnen voor handen zullen zijn. Tot dan moet u het met onderstaande tekst hier en daar bij elkaar gesprokkeld doen.)

Boudewijn Maria Ignatius Büch, (Het trema op Büch is een bedenksel van Boudewijn zelf; Hij volgde hierin het voorbeeld van zijn vader.), 14 december 1948 – zaterdag 23 november 2002, was dichter, schrijver, verzamelaar, reiziger, bibliofiel, Goetheaan, melancholicus en Rock 'n' Roll specialist.

Thema's in zijn werk zijn: psychiatrie, de verhouding met een vader, de dood van een zoontje en homoseksualiteit. De vaak terugkerende kleur blauw staat voor dood en verlangen. Veel van zijn werk is uitgegeven bij kleine, bibliofiele drukkers, zodat het vaak moeilijk te vinden is. dit geldt vooral voor zijn poëzie.

Boudewijn Maria Ignatius Büch werd geboren op 14 december 1948 te Den Haag in de Bethlehem kliniek, alwaar nu het Malieveld is gelegen. Hij groeide op in Wassenaar in een katholiek gezin met vijf broers (vier ouder dan hij). Eén van zijn broers is Menno Buch, o.a. bekend geworden met een erotisch tv-programma.

Boudewijn Büch heeft een moeilijke jeugd. Het huwelijk van zijn - katholiek geworden, joodse - ouders is slecht. Zijn ouders zijn in 1963 gescheiden. Vader Büchs verdwijnen uit het gezin werd door de resterende gezinsleden als een opluchting ervaren. Zowel Boudewijn als zijn broers herinnerden zich hem later als een tirannieke persoonlijkheid. Veel van wat Büch zegt over zijn jeugd (vader met oorlogstrauma's, psychiatrische inrichting, zelfmoord van vader) moet echter met een korrel zout worden genomen.

Volgens Büch was hij in zijn jeugd een jaar lang gedwongen opgenomen geweest in een jeugdpsychiatrische inrichting, temidden van 'echte debielen'. Aansluitend zou hij in het ziekenhuis hebben gelegen wegens 'een vreemd soort keelkanker'. De psychiatrische inrichting was in werkelijkheid de vakantiekolonie De Lindenlust in Boxtel. Veel stadskinderen uit heel Nederland brachten in de jaren '50 en '60 een periode in een dergelijke instelling door om wat gezonde buitenlucht op te doen. Ook aanleiding tot de ziekenhuisopname was een stuk onschuldiger dan keelkanker.

schooljaren
1e versie Büchs schoolopleiding verliep niet voorspoedig. Hij bracht enige jaren door op het gymnasium en de hbs maar eindigde zijn schoolcarrière met een mulo-diploma.
2e versie Op 14 jarige leeftijd begon Boudewijn aan zijn middelbare schooltijd op het St-Bonaventura lyceum te Leiden. Een school die geheel door paters werd geleid. In 1966-'67 gaat hij Nederlandse en Duitse Letteren studeren in Leiden. Hij studeerde ook filosofie en middeleeuwse geschiedenis. (Wat is waar? red.)

Ondertussen was zijn aanleg voor het dichterschap wel opgevallen. Hij vond contact met diverse mentoren in het circuit van kunstenaars en academici in Leiden, en werd aan het begin van de jaren zeventig door steeds meer mensen beschouwd als een erudiet wonderkind. Hij verwierf die status door zijn grote weetgierigheid, een flinke dosis bluf en in sommige gevallen door bewust in te spelen op homo-erotische gevoelens bij zijn bewonderaars, die vaak toonaangevende posities in het Nederlandse cultuurleven bekleedden. Büch mat zich het imago van romantisch-decadente nietsnut aan. Koketteren met een homoseksuele of pedofiele geaardheid was daarvan kennelijk een onderdeel; de serieuze liefdesrelaties die hij tijdens zijn leven had waren echter zonder uitzondering heteroseksueel.

Büch leefde in deze periode van een bijstandsuitkering en op de zak van bewonderaars, die hij vanwege zijn animerende persoonlijkheid volop had. Zijn voornaamste bezigheden waren roken, drinken, blowen, stappen, het verzamelen van boeken en, nu en dan, timmeren — een ambacht waar hij volgens vrienden in die tijd een opvallend talent voor had.

Het gegeven van een overleden zoontje wordt bestreden. De zoon van een bevriend echtpaar (Boudewijn Iskander Pronk) zou de bron voor zijn fantasie zijn geweest). Al vanaf 1970 vertelde Büch aan vrienden dat hij een zoontje had. Het ging in werkelijkheid om Boudewijn Iskander Pronk - het kind van een bevriend echtpaar met wie hij nu en dan uitstapjes maakte. Toen het kennelijk steeds moeilijker voor hem werd om dit fantasieverhaal vol te houden, deelde hij mee dat het kind was overleden. Hij verwerkte het thema onder andere in zijn prozadebuut De blauwe salon (1981), in de dichtbundel Dood kind (1982) en in de roman De kleine blonde dood (1985). In 2004 betitelde Boudewijn Iskander Pronk Büchs verhalen over dit onderwerp als "Ziek. Absurd. Bizar."

Debuut als dichter
Vanaf omstreeks 1973 begon Büch serieus werk te maken van een loopbaan als dichter. Hij legde contact met Harry G.M. Prick, dankzij wiens bemiddeling in 1976 zijn debuutbundel Nogal droevige liedjes voor de kleine Gijs uitkwam. Mede dankzij de geestdriftige aanbevelingen van uitgever Martin Ros werd Büch al snel als een literaire sensatie beschouwd. De hype ging begeleid van de fantasiecarrière die hij in de loop der jaren voor zichzelf had bedacht en waarmee zijn vrienden al langer bekend waren: hij zou zijn doctoraal in zowel Duits als filosofie hebben behaald en was bovendien psychofarmacahistoricus — een zeldzame wetenschap waarvan hij in alle bescheidenheid moest toegeven dat hij er 's werelds belangrijkste expert in was.

Vanaf dit moment ontpopte de voormalige nietsnut zich als de workaholic die hij tot enige jaren voor zijn dood zou blijven. Büch schreef ontelbare columns, recensies en artikelen, gaf lezingen en liet bij diverse uitgeverijen een stroom aan literair werk verschijnen. Er was wel het nodige redactiewerk vereist om Büchs productie geschikt te maken voor publicatie; hij was een chaoot.

Büch beweerde dat zijn vader een gevluchte Russische of Poolse of Duitse jood was die als piloot bij de RAF zijn eigen geboortestad moest bombarderen. Volgens dit verhaal werd in het gezin Büch alleen Duits gesproken, en pleegde zijn door zijn oorlogservaringen getraumatiseerde vader zelfmoord naar aanleiding van berichten dat de Drie van Breda zouden worden vrijgelaten. In werkelijkheid was Büchs vader een Haagse gemeente-ambtenaar die in 1975 stierf aan een hartaanval.
Na de dood van zijn vader verspreidde Büch het gerucht dat hij miljoenen had geërfd. In de extreemste variant van het verhaal wilde hij daarvan dertig miljoen schenken aan de Rote Armee Fraktion. Ook deed hij toezeggingen van miljoenen voor projecten die met literatuur te maken hadden. Potentiële ontvangers van Büchs giften namen zijn verhalen serieus genoeg om te beginnen met de oprichting van een Beheerstichting Erfenis Boudewijn Büch. Uiteindelijk gaf Büch echter niet thuis. (In werkelijkheid bedroeg zijn erfdeel ongeveer 750 gulden.)

Büchs briefhoofd in de jaren zeventig bevatte fantasierijke nep-titels. Hij noemde zich Drs. drs. Boudewijn Maria Ignatius Büch M.L.S. ISDD, c.m. - psychofarmacahistoricus. Volgens Büch sloeg de dubbele doctorandustitel op voltooide studies Duits en filosofie; M.L.S. betekende Member of the Linnaean Society; een 'psychofarmacahistoricus' was volgens Büch gespecialiseerd in de geschiedenis van het drugsgebruik.

Ook op financieel gebied wist hij geen overzicht te bewaren. Büch had een omvangrijke geschiedenis van niet terugbetaalde leningen en andere financiële oneffenheden die begeleid gingen van fantasierijke uitvluchten. Büch leefde op te grote voet en zijn schulden liepen zo hoog op dat hij in 1978 in staat van faillissement werd gesteld. Zijn financiële zaken stonden vanaf dat moment onder toezicht van een curator. Dankzij diens lankmoedigheid en Büchs zorgeloosheid liepen de schulden alleen maar op. Pas aan het einde van de jaren tachtig waren Büchs inkomsten toereikend om zijn uitgavepatroon te dekken. Door zijn voortdurende exercities om de aandacht op zich te vestigen was hij inmiddels een goedbetaalde mediapersoonlijkheid geworden.

In 1981 verschijnt 'De blauwe salon', zijn prozadebuut.

Hij werkte enige tijd als redacteur van een advertentie- en copywritebureau.

De kleine blonde dood
Oorspr. verschenen in een korte versie o.d.t.: Een kleine blonde dood. - Amsterdam : Bauer, 1982. - (Syllabe = ISSN 0921-5328 ; 9). - Gedeeltelijk eerder verschenen in het Leids studentenblad: Mare. - 1980-1981. - 1e dr. deze uitg.: Amsterdam : De Arbeiderspers, 1985.
In De kleine blonde dood vertelt de ik-figuur over het kortstondige leven van zijn zoontje. Mickey, het kind van hem en Mieke, een vijftien jaar oudere lerares Engels, zal zijn zesde verjaardag niet halen. Daarnaast haalt de ik-figuur herinneringen op aan zijn eigen, door de oorlog geestelijk misvormde vader. De kleine blonde dood is een hartverscheurend verhaal over verlies, verdriet en machteloosheid. Een monument voor een kleine, gestorven jongen. Lezers van ander werk van Büch zullen de thematiek herkennen en zullen ook enkele verschillen opmerken met de in vroeger werk gegeven informatie. Degene om wie alles in het boek draait, is de ik-figuur. Voorafgegaan door maar liefst elf motto's worden - nogal zwaar aangezet en melodramatisch - vooral zijn emoties breed uitgemeten. De vraag of er sprake is van bestudeerde dan wel van authentieke megalomanie is bij een romantisch schrijver als Büch natuurlijk niet te beantwoorden. Na het verschijnen in 1985 van 'De kleine blonde dood' bleek Boudewijn Büchs roman onmiddellijk een groot succes. Sinds die tijd is het nooit uit druk geweest en is er de nodige aandacht aan besteed. Ook de verfilming van de roman Jean van de Velde in 1993 heeft bijgedragen aan het succes. Aan de 20e druk werden twee nieuwe hoofdstukken toegevoegd; de 22e druk werd door de auteur herzien met het oog op de aanstaande verschijning van het vervolgdeel 'Het geheim van Eberwein'*.

Bleef hij een aantal van zijn passies zijn leven lang fanatiek najagen, dichten en schrijven boetten in de loop der jaren aan belang in, hoewel hij over succes niet te klagen had. Het radicaalst ging dat met het dichten. Van de ene op de andere dag besloot hij geen gedichten meer te publiceren; uit wat hij nog in portefeuille had mochten redacties van schoolkrantjes vrijelijk putten. Van zijn romans is De kleine blonde dood veruit de bekendste geworden, mede door de film die naar het boek vervaardigd werd. Maar ook zijn hilarische roman over het leven in een commune Links! (1986), Het dolhuis (1987), dat handelt over zijn verblijf in een jeugdinternaat, en Het bedrog (1993), waarin de breuk met een boezemvriend werd vastgelegd, vonden veel aftrek.

Naast deze sterk autobiografische romans publiceerde Büch tal van niet-fictionele werken waarin hij zelf overigens altijd heel nadrukkelijk op de voorgrond trad. De onderwerpen lopen uiteen van zijn grote literaire liefde J.W. von Goethe, de geschiedenis van de Rock 'n' Roll, zijn fascinatie voor Mick Jagger (`Een pickup waar een LP van The Beatles op gedraaid is, kan direct bij het grofvuil' was zijn stellingname in de ooit brandende kwestie The Rolling Stones versus The Beatles), verslagen van zijn talloze reizen naar de meest obscure eilanden, en zijn grote liefde voor bibliotheken.

Büchs werkzaamheden voor televisie begonnen in 1982 met het VARA-kunstprogramma De Verbeelding, waarvoor hij een boekenrubriek verzorgde. Zijn vlotte c.q. oppervlakkige aanpak sprak aan en hij kreeg vanaf 1984 een eigen programma: Büch's Boeken, vanaf 1985 verbreed tot Büch.

Door zijn optreden op televisie raakte zijn carrière in een stroomversnelling, al werd hij door literaire kringen inmiddels afgewezen: Büch was geen serieus te nemen dichter meer maar een mediapersoonlijkheid die kennelijk tot alles bereid was, als het maar geld opbracht. Büch nam op zijn beurt eveneens afstand van de literaire wereld. Zijn gedichten verschenen nog slechts in bibliofiele mini-oplages en hij bracht zijn tijd bij voorkeur buiten Nederland door.

De reisprogramma's die hij vanaf 1988 onder de titel De wereld van Boudewijn Büch maakte, stelden hem daartoe in staat. Ook in deze programma's steekt hij zijn liefde voor eilanden, bibliotheken, Mick Jagger en Goethe niet onder stoelen of banken. Büchs stokpaardjes kwamen in zijn televisieuitzendingen veelvuldig aan bod. Hij had grote belangstelling voor eilanden, de dodo, rockmuziek (met name Mick Jagger) en bovenal voor Johann von Goethe. Voor zijn reisprogramma's reisde hij veelal naar afgelegen eilanden. Ter plaatse schafte hij wat boeken aan over de betreffende locatie en een dag later legde hij aan zijn cameraman, en de kijkers, uit wat hij daarin had gelezen. Ook bezocht hij regelmatig bibliotheken en musea waar hij in gebrekkig Engels gesprekken voerde met de medewerkers.

Ter gelegenheid van het 150-jarig bestaan van het Museum van het Boek in Den Haag stelde Boudewijn Büch in 1998 een tentoonstelling samen uit de collectie tot 1850. Tentoongesteld werden veel reisboeken en boeken over ontdekkingsreizen.

In 2001 besloot de VARA geen nieuwe programma's meer bij Büch te bestellen en ook andere opdrachtgevers zaten steeds minder om zijn bijdrages verlegen. Büch zelf had al veel eerder laten merken dat zijn werk hem steeds minder interesseerde. Zijn laatste televisie-optredens waren wekelijkse bijdrages aan het programma Barend en Van Dorp. Verder bracht hij zijn tijd bij voorkeur door in zijn herenhuis aan de Amsterdamse Keizergracht, dat hij tot een drie verdiepingen tellende bibliotheek in empire-stijl had omgetoverd. Zijn collectie zeldzame boeken besloeg inmiddels rond de 100.000 banden.

Op 23 november 2002 werd Büch dood aangetroffen in zijn bed. Hij was overleden aan een hartstilstand.

Hoewel men over de uiteindelijke waarde van al Büchs activiteiten van mening kan verschillen, zijn vermogen om mensen ergens enthousiast voor te maken staat boven elke discussie. De reportage van de vervulling van zijn grootste wens, een ontmoeting met Mick Jagger, is daar een ontroerend voorbeeld van. Zijn opzettelijk amateuristische manier van presenteren heeft zelfs school gemaakt!

Websites: www.boudewijnbuch.net, redir.vara.nl/buch, www.kb.nl, www.boudewijnbuchmuseum.nl
Bron: ->> http://www.kunstbus.nl/literair/boudewijn+buch.html
Gebruikersavatar
baphomet
Administrator
Administrator
Berichten: 23142
Lid geworden op: za 21 aug 2010, 16:08

wo 06 aug 2014, 00:59

BOUDEWIJN BÜCH

Schrijver, dichter, columnist, programmamaker, wereldreiziger, verzamelaar, bibliofiel. Boudewijn Büch: fenomeen.

Na zijn vroegtijdig overlijden op 23 november 2002 is er veel over hem gezegd en geschreven. Zijn naam komt regelmatig voor op internet. Reizigers en lezers blijven zich interesseren voor zijn boeken en de dvd‘s van zijn verre tochten. De belangstelling voor zijn leven en werk blijkt nog steeds groot te zijn.
Een groep mensen die Büch van zeer nabij hebben gekend en zich tot zijn kring van intimi mochten rekenen, heeft nu besloten zich in te zetten voor een evenwichtige en volwaardige biografie, die recht doet aan Boudewijn Büch in al zijn veelzijdigheid.

Deze Werkgroep Boudewijn Büch Biografie
heeft haar belangrijkste doelstelling bereikt: Eva Rovers gaat de biografie schrijven. Het Biografie Instituut zal haar daarbij begeleiden en de WBBB zet zich in om de voorwaarden te scheppen waaronder Eva haar biografie in alle rust kan voltooien. De biografie van Boudewijn Büch zal naar verwacht in 2016 uitkomen bij uitgeverij Bert Bakker.
Bron: ->> http://www.boudewijnbuch.net/
Gebruikersavatar
baphomet
Administrator
Administrator
Berichten: 23142
Lid geworden op: za 21 aug 2010, 16:08

wo 06 aug 2014, 01:01

Gebruikersavatar
baphomet
Administrator
Administrator
Berichten: 23142
Lid geworden op: za 21 aug 2010, 16:08

wo 06 aug 2014, 20:57

Ooit na zijn dood wat gemaakt, en kon dat lange tijd niet vinden, bij het uitpluizen van mijn oude werken kwam hij echter weer boven drijven...

Afbeelding

Deze heeft de naam " From Boudy to Andy and back again (Boudewijn Büch) " gekregen....

Techniek: Giclee
Jaar: 2003
Oplage: 4 exemplaren
Afmetingen: 100 x 100 cm (kan ook ingelijst worden uiteraard)
Gemaakt door: Baphomet
Gesigneerd en met echtheidscertificaat.
Meer info: PM of mail me
De volgende gebruiker(s) zeggen bedankt: Toxopeus
Omhoog
Plaats reactie

Terug naar “Boeken”