Hunebedden, grafkelders ? of ...

Hier tref je allerlei topics aan die te maken hebben met geschiedenis en de oudheid.
Gebruikersavatar
combi
Administrator
Administrator
Berichten: 15971
Lid geworden op: za 21 aug 2010, 21:27

ma 15 okt 2012, 16:53

'Stenen dijk langs IJsselmeer moet blijven'
15 okt 2012
http://www.binnenlandsbestuur.nl/ruimte ... 3635.lynkx


Waterschap Vallei & Eem wil de stenen bekleding van de dijk langs de zuidelijke Randmeren behouden. Deze dijkbekleding dateert uit de tijd dat het IJsselmeer nog Zuiderzee was. Het schap beschouwt het uiterlijk van de voormalige zeedijk daarom als cultuurhistorisch erfgoed.

Golfsimulator
Dijklichamen worden tegenwoordig uit beton, klei en zand opgebouwd. De dijk tussen het Putter Stoomgemaal en Spakenburg bestaat uit Drentse en Noorse stenen, zwerfkeien en basalt. De dijk is grotendeels begroeid met riet en onkruid. Het schap maakt de stenen in de winter schoon.

Beschermende functie
Een golfsimulator moet in het voorjaar uitwijzen of de dijk beschadigd is. Zo nodig neemt het schap daarna maatregelen, aldus een woordvoerder. Uitgangspunt van het Waterschap is dat de stenen dijken behouden blijven. Naast de historische waarde hebben de dijken ook vanuit waterstaatkundig oogpunt een beschermende functie.


[quote=""combi" post=39429"]Keien in dijken
http://www.kijkeensomlaag.nl/cms/

Bittere noodzaak was het gebruik van Drentse zwerfkeien keien
voor de kustverdediging. Tot 1731 waren de wierdijken vooral
rond de voormalige Zuiderzee op veel plaatsen aan de zeezijde
voorzien van aaneengesloten pallisade-achtige brandingsschermen
van zware eiken balken. Vanaf dat jaar werden de houten
dijkbeschoeiingen echter op grote schaal aangetast door paalwormen.
Binnen een paar jaren waren de zeeweringen zo verzwakt dat ze
een herfststorm niet of nauwelijks konden weerstaan.

Afbeelding
Tot 1731 waren de meeste dijken rond de Zuiderzee voorzien van houten
brandingsschermen om het achterliggende land te beschermen tegen overstromingen.



De paalworm is een ongewerveld wormachtig dier dat boorgaten in
hout maakt. Ongewild is het dier in de scheepswanden van houten
schepen die reizen naar het verre oosten maakten, naar ons land
meegenomen. De verspreiding van het dier in het zoute Zuiderzeewater
leidde tot de aantasting van de eikenhouten dijkbeschoeiingen.

Het vervangen van de beschoeiingen door nieuw hout was geen optie.
De paalworm maakte daar korte metten mee. Om dijkdoorbraken en
overstromingen te voorkomen nam men zijn toevlucht tot een totaal
andere aanpak. In aller ijl bekleedde men met veel moeite en tegen
zeer hoge kosten de zeewaarts gerichte dijkhellingen met grote keien.
De eerste dijktrajecten waar de dijken opgehoogd en 'versteend' werden,
kwamen bij Medemblik in Noord-Holland gereed.

De benodigde stenen haalde men vooral uit Drenthe. In die jaren
ontstond daar een zeer levendige steenhandel. Het is niet overdreven
te stellen dat daarvoor miljoenen tonnen zwerfsteen zijn gebruikt. In
die tijd heeft men voor dat doel veel hunebedden gesloopt om stenen
voor de dijkbekleding te verkrijgen. Zelfs markerings- en grensstenen
waren voor de steenhandel niet veilig.

Van de zwerfsteenhandel bestaan uit de omgeving van Gasselte, Gieten,
Borger en Ees nog oude
archieven waarin minitieus het aantal lasten en karrevrachten zwerfstenen
is bijgehouden die na de oogst ter verkoop werden aangeboden. Op de
bijgehouden staten staat vermeld wie de keien leverde, hoeveel het waren,
wat de kwaliteit was en de prijs die ervoor betaald werd.

De keien bracht men naar Gasselternijveen. Dit oude veendorp in het
Hunzedal fungeerde tientallen jaren achtereen als een soort stapelplaats
voor zwerfstenen. Gasselternijveen lag aan vaarwater, vanwaar kleine
scheepjes met hun vrachten de Hunze afvoeren, veelal naar de Groninger
klei. Daar kon men in de wintermaanden, als er op het land toch niets te
doen was, met het fijnkloppen van de keien een stuiver bij verdienen.

Men gebruikte het steengruis werd wegverharding. Bekend is dat de
weg van Groningen naar Stadskanaal in de 19e eeuw over een lengte
van 25 kilometer met fijn geklopte Drentse zwerfkeien werd verhard.

In die tijd ontstond ook het beroep van 'stenenroder'. Dat waren mannen
die na de oogst zwerfsteenrijke akkers van de boer-eigenaar pachtten
om daar naar zwerfkeien te zoeken. Ze gebruikten daarbij dunne ijzeren
staven waarmee ze in de akkergrond prikten. Stootte men op een kei
dan werd die vervolgens opgegraven. Op deze manier kwamen uit
sommige akkers veel keien te voorschijn. Dat leidde soms tot enig
geharrewar met de boer over de afgesproken pachtprijs. Aan de stenen
viel namelijk veel geld te verdienen.

Afbeelding
zwerfsteendijk bij Schellinkhout (N.H.)

Grote steenblokken ging men met buskruit of beitels en wiggen te lijf.
Ook de bekende tonnenzware Uppsalagraniet van Rottum bij Heerenveen
in Friesland heeft op deze manier veel van zijn oorspronkelijke omvang
verloren. De verkregen steenbrokken werden met scheepjes naar de
Zuiderzee vervoerd.
Toch was de aanvoer uit Drenthe en Friesland te gering om aan de
grote vraag te voldoen. Men haalde de keien daarom ook van elders.
Dit blijkt duidelijk uit de samenstelling van de dijkstenen in de voormalige
Zuiderzeedijk bij Hoorn en Schellinkhout in Noord-Holland. In de
zwerfsteenbekleding daar zitten opvallend veel grote Oslo-syenieten
die afkomstig zijn uit Zuid-Noorwegen. Ook vinden we daar talrijke grote
blokken bleekpaarse anorthosiet, een gabbro-achtig gesteente. Deze
blokken steen zijn afkomstig uit de omgeving van de Zuid-Noorse stad
Egersund. Zwerfstenen van dit type anorthosiet zijn nog nooit in Nederland
gevonden.

Afbeelding
Zwerfblok met boorgaten voor het plaatsen van
houten of ijzeren wiggen of misschien wel buskruit.


Niet alleen grote zwerfkeien werden geïmporteerd, ook kleinere
zwerfstenen haalde men uit noordelijke landen. Dat blijkt uit het
plaveisel in Zuiderzeestadjes als Workum, Stavoren, Hindelopen,
Blokzijl e.d. In Hindelopen 'struikel' je in de straten over de talrijke
rhombenporfieren in het plaveisel. Dit karakteristieke vulkanische
gesteente komt uit het Oslo-gebied in Noorwegen. De kusten van
Jutland in Denemarken liggen er vol mee. Waarschijnlijk komen de
Hindeloper rhombenporfieren ook daar vandaan. Van die steenhandel
destijds bestaan nog allerlei koopcontracten.[/quote]
De volgende gebruiker(s) zeggen bedankt: baphomet
Omhoog
Gebruikersavatar
Dromen
Administrator
Administrator
Berichten: 5033
Lid geworden op: za 21 aug 2010, 06:38

zo 25 nov 2012, 21:28

Wat was nou precies de mening van Van Giffen over de oorsprong / nut van de Hunebedden?!
De volgende gebruiker(s) zeggen bedankt: baphomet
Omhoog
Gebruikersavatar
combi
Administrator
Administrator
Berichten: 15971
Lid geworden op: za 21 aug 2010, 21:27

ma 26 nov 2012, 00:44

Hij kwam tot de verrassende conclusie dat de hunebedden geleidelijk waren overgegaan in de grafheuvels uit de bronstijd.

knip

De hunebedbouwers waren bewoners van
het landschap dat tevoorschijn was gekomen na het terugtrekken van de ijskappen
van de laatste ijstijd. De vele zwerfkeien in dit landschap hadden zij als beschutting
gebruikt.

knip

Dit was, zo opperde Van Giffen, waarschijnlijk het gevolg van

een verdere 'vergeestelijking' van de voorstellingen over het leven na de dood.
Van Giffen dacht ook aan de invloed van sociale verhoudingen: hij hield het goed
voor mogelijk dat het gewone volk nog gebruikmaakte van de hunebedden, terwijl
voor de meer aanzienlijken eigen grafmonumenten — grafheuvels — werden opgeworpen.



http://dare.uva.nl/document/67968

Hunebedden,, graflieuvels en urnenvelden

In de jaren na zijn vertrek uit Leiden was Van Giffen mede op basis van zijn
onderzoek naar de herkomst van de Europese huisdieren tot het inzicht gekomen
dat de oudste neolithische bevolking van Noord-Nederland niet uit Zuid-Europa,
maar uit Noord-Europa afkomstig was; tegelijk met dit inzicht ontstond bij hem
het besef dat ook de Nederlandse hunebedden en grafheuvels aan deze regio
gerelateerd moesten worden.94

Bij zijn eerste hunebeddenopgraving van 1918 — dit betrof het grote hunebed te
Haveltee - gaf Van Giffen er blijk van belang te hechten aan kennis van het
verspreidingsgebiedd van de verschillende megalithische cultuuroverblijfselen op
mondiaal niveau. Megalieten kwamen voor van Spanje tot Japan, van Zweden
tot Algerije en ook op Madagaskar. Volgens Van Giffen kon door het vergelijken
van de ouderdom, vorm en inhoud van de verschillende megalieten de onderlinge
samenhang duidelijk worden. Het werd hem zo al snel duidelijk dat de Drentse
hunebedden direct aansloten op die van Noordwest-Europa en het westelijk
Oostzeegebied.?**

Dit inzicht impliceerde zijn inziens dat ook in Nederland gebruik
konn worden gemaakt van het in Noord-Europa geldende drie-periodensysteem.
Sprekend van de periodisering van de 'Noordsche archaeologen' dateerde Van
Giffen het grote hunebed van Haveke vervolgens op circa 2000 voor Christus.96
Zijn conclusie over de samenhang van de Nederlandse hunebeddencultuur met
die in Noord-Europa presenteerde hij in 1919 in een artikel in de Nieuwe Drentsche
Volksalmanak,Volksalmanak, wat niet zonder betekenis was.

In de almanakken van 1914 en 1915
had Holwerda immers nog geconcludeerd dat de bouwers van de hunebedden uit
Zuid-Europa afkomstig waren.97 Van Giffen had Holwerda voor het eerst echt
de loef afgestoken.

Niet alleen de hunebedden, maar ook de Noord-Nederlandse grafheuvels werden
door Van Giffen met Noord-Europa in verband gebracht. Zijn grafheuvelopgravingen
bij Zeijen in de periode 1918-1920 waren hierbij van doorslaggevende
betekenis.. De onderzochte grafheuvels bleken een 'individueele begraving' en een
vloerlaagg van witzand te bevatten. Het waren deze kenmerken - alsmede de vorm
van een bronzen dolkzwaard uit een van de grafheuvels - die maakten dat Van
Giffen kon concluderen dat er een samenhang bestond met een bepaald grafheuveltype
uit de Oostzeelanden.

Dit grafheuveltype was daar kenmerkend voor een
cultuurfase waarin voor het eerst brons werd gebruikt: een fase die direct op die
van de hunebedden was gevolgd. Refererend aan deze observatie zou Van Giffen
in 1930 kunnen memoreren dat hij er in Nederland als eerste in was geslaagd om
de grafheuvels uit de vroege bronstijd te herkennen.98

blz 84


HET EMPIRISCH NATUURONDERZOEK
Door het vergelijken van grafheuvels waarin respectievelijk stenen, bronzen of
ijzeren voorwerpen waren aangetroffen, kwam Van Giffen omstreeks 1920 tot het
inzicht dat er in de loop van de tijd steeds minder aandacht was besteed aan de
bouw van grafheuvels.
Dit maakte het zijns inziens mogelijk om, met de heuvelstructuur
als uitgangspunt, de verschillende grafheuvels in een 'chronologisch
systeem'' te plaatsen. Bovendien kon, de grafheuvels beschouwend als het resultaat
van een bepaald grafritueel, de ontwikkeling van het grafritueel worden gevolgd.
Vann Giffen constateerde vervolgens: 'Tusschen die heuvels schijnt een innig
organisch verband aanwezig, waarbij het ritueel steeds meer degenereert.'^

In de daaropvolgende jaren zou Van Giffen deze hypothese bevestigd zien. Kijkend naar
het grafritueel bracht hij de grafheuvels bovendien in verband met de hunebedden
uit het Neolithicum en de urnenvelden uit de ijzertijd. De ontwikkeling van de
verschillende grafmonumenten, die hij aldus kon reconstrueren, bleek probleemloos
aan te sluiten op het drie-periodensysteem.

100
De nieuwe visie op de Nederlandse prehistorie die Van Giffen rond 1920 naar
aanleiding van zijn onderzoek van hunebedden en grafheuvels ontwikkelde, werd
bij uitstek ondersteund door de resultaten van zijn opgraving van een grafheuvel
te Harendermolen bij Groningen.101 Deze opgraving, waarover hij in 1922 publiceerde,,
maakte het drie-periodensysteem voor een belangrijk deel stratigrafïsch
zichtbaar en toonde bovendien aan dat het mogelijk was op basis van de grafheuvelstructuur
te komen tot een reconstructie van het prehistorisch grafritueel.

De opgraving leverde daarmee argumenten tegen Holwerda's visie op de pre- en
protohistorie,, in het bijzonder tegen diens koepelgraftheorie en diens opvattingen
over de bronstijd. Dankzij de opgraving te Harendermolen verwierf Van Giffen
zijn eerste bekendheid in Duitsland, onder meer als criticus van Holwerda. Tijdens
de opgraving stelde Van Giffen vast dat de heuvel in feite uit twee grafheuvels
bestond..

De onderste stamde uit het einde van de jonge steentijd en werd bedekt
door een tweede grafheuvel uit de bronstijd. De onderste uit zand opgebouwde
heuvel was vergelijkbaar met de grafheuvels die Holwerda koepelgraven had
genoemd.. Van Giffen kwam echter tot een andere reconstructie. De paalgaten in
de heuvel waren zijns inziens namelijk geen restanten van een koepel, maar van
een palissade. In dit graf was de dode in een gehurkte houding bijgezet. De
bovenstee grafheuvel onderscheidde zich in twee opzichten van de onderste. Hij
bestond namelijk uit zoden en bevatte bovendien crematieresten.IOZ
Van Giffen heeft zich bij het schrijven van zijn artikel over de grafheuvel van
Harendermolen laten sturen door zijn motto 'Die Tatsachen bleiben, Die Interpretation
schwankt'.

Hij presenteerde eerst wat hij beschouwde als de feiten, te
weten de opgravinsgresultaten met betrekking tot de structuur van de heuvel, en
vervolgens wat hij beschouwde als een interpretatie, te weten de reconstructie van
het grafritueel.103 Het grafritueel waarvan de dubbele grameuvel van Harendermolen
het resultaat was, moest zich volgens Van Giffen hebben afgespeeld aan
het einde van de jonge steentijd. De bouwers van de eerste grafheuvel hadden
toen in een bosachtig gebied een ronde plek vrij gemaakt van begroeiing en met
85 5
HOOFDSTUK 2
een dun laagje wit zand bedekt. Vervolgens was de dode begraven. Daarna waren
twee cirkelvormige palissades gebouwd en was uit zand een grameuvel opgeworpen.

Geruime tijd later, in de bronstijd, werd in de heuvel een tweede graf gedolven
waarin 'Ljkbrandresten' werden uitgestrooid. Daarna werd van zoden een tweede
heuvel gemaakt, die de eerste heuvel klokvormig overdekte.104

De verschillen tussen Holwerda's en Van Giffens interpretatie van de Nederlandse
grafheuvels, die na de publicatie over de grafheuvel van Harendermolen
zonneklaar waren, werden al snel ook in Duitsland bekend. In Hoops Reallexikon
van 1915 was namelijk melding gemaakt van Holwerda's koepelgraftheorie. Hierbij
werd verwezen naar diens artikel over de koepelgraven bij Vaassen, dat in 1909
was verschenen in het Praehistoriscbe Zeitschrifi.10''
In Eberts Reallexikon van 1926 werd echter vermeld dat de juistheid van Holwerda's koepelgrafreconstructie ter discussie was gesteld. Gerefereerd werd daarbij aan Van Giffens in 1924 in het PraehistoriscbePraehistoriscbe Zeitschrifi verschenen verslag over de opgraving in Harendermolen.'

066 Dit moet voor Van Giffen een ongekend gevoel van triomf hebben opgeleverd::
nu had hij Holwerda immers dubbel overtroffen.


De degeneratie van het grafritueel

Van Giffen besteedde in de jaren twintig- de tweede fase van zijn wetenschappelijke
loopbaan, waarin het cultuuronderzoek dominant was - veel aandacht aan
de onderlinge samenhang van de verschillende Nederlandse grafmonumenten en
het verband met de elders in Noord-Europa aangetroffen exemplaren. Hij presenteerde
zijn onderzoeksresultaten in De Hunebedden in Nederland van 1925 en
1927,, en in Die Bauart der Einzelgraber van 1930. Zijn voornemen aan de urnenvelden
uit de ijzertijd een aparte publicatie te wijden, heeft Van Giffen niet
gerealiseerd;; van zijn hand verscheen er over dit thema wél een aantal artikelen.'°7
Dee studie over de hunebedden bestond uit twee tekstdelen en één atlasdeel. Het
eerste tekstdeel bevatte onder andere een overzicht van de resultaten van het
hunebeddenonderzoek uit de voorgaande eeuwen. Bovendien introduceerde hij
er in een wetenschappelijk begrippenstelsel voor de hunebedden en een nummeringssysteem
voor de verschillende hunebedden per provincie.

108 In het tweede tekstdeel beschreef hij de hunebedden op basis van zijn eigen archeologische onderzoekingen.1^^ Die Bauart der Einzelgraber, waarin Van Giffen de resultaten van ruim tien jaar grafheuvelonderzoek presenteerde, bestond eveneens uit een
tekstdeel en een atlasdeel. Het doel van deze studie was te komen tot een
systematisering van de verschillende graftypen uit de jonge steentijd en de bronstijd.

110 0
In de loop van de jaren twintig is Van Giffen erin geslaagd de belangrijkste
kenmerken van de hunebedden en grafheuvels uit het Neolithicum terug te vinden
in latere grafmonumenten, allereerst in die van de bronstijd."1 Hij kwam tot de
verrassende conclusie dat de hunebedden geleidelijk waren overgegaan in de
grafheuvels uit de bronstijd.
De opgraving in 1923 van een eenkamerig megalietgraf

86 6
HET EMPIRISCH NATUURONDERZOEK
-- een 'steenkistgraf - bij Eext speelde hierbij een belangrijke rol. In De Hunebeddenbedden
in Nederland wees Van Giffen er op dat dit graf was te beschouwen als
een gedegenereerd megalietgraf. Aldus markeerde het steenkistgraf de overgang
tussen het megalithische massagraf uit het Neolithicum en het individuele graf
uit de bronstijd. Deze overgang was echter een zeer complex proces geweest."2
Juist daarom stelde Van Giffen in Die Bauart der Einzelgraber een graftypenschema
op.. Hij hoopte zo het 'Ausklingen' van de verschillende neolithische graftypen in
de bronstijd goed te kunnen volgen."3

Van Giffen vond de hoofdkenmerken van de hunebedden en grafheuvels uit
het Neolithicum niet alleen terug in grafmonumenten uit de bronstijd, maar ook
in urnenvelden - door hem 'kringgreptumulivelden' genoemd - uit de ijzertijd.11*

Een kringgreptumulus werd door Van Giffen omschreven als een miniatuurgrafheuvel,,
waarin lijkbrandresten in of zonder een urn waren bijgezet, en die was
omgeven door een ronde of ovale greppel. Deze greppel was in de loop der tijd
met humushoudend zand gevuld geraakt en daardoor in de bodem herkenbaar
als een donkere verkleuring. In het kringgrepurnenveld kwamen volgens Van
Giffen verschillende kenmerken van grafgebruiken uit eerdere periodes samen;
het was voor hem het eindpunt van de degeneratie van het grafritueel. In dit kader
wees Van Giffen op de ovale of ronde vorm van de neolithische megalietgraven
en grafheuvels, die, via de van stenen voorziene bronstijdheuvels, nog voortleefde
in de vorm van de kringgreppels.115

Van Giffen deed op theoretisch niveau uitspraken over het 'waarom' achter de
degeneratie van het prehistorisch grafritueel. Hij ging ervan uit dat het oudste
grafritueel heel dicht stond bij wat hij omschreef als de 'zuivere emotie van
kinderlijke geloofsvoorstelling'. Verder zag hij voor zich hoe er in de prehistorie
in de loop der tijd bij de dodencultus werd vastgehouden aan oude tradities, terwijl
andere aspecten van samenleving juist wél ingrijpend veranderden. Deze veranderingen,,
met name de technische vooruitgang, beschouwde hij als het product
van het verstand. De godsdienst was zijns inziens daarentegen het domein van
het gevoel. Deze uitgangspunten impliceerden dat de ontwikkeling van het
grafritueel het resultaat was van de strijd tussen gevoel en verstand of tussen traditie
en vooruitgang. Zo redenerend kon Van Giffen concluderen dat de prehistorische
dodencultus lang gevrijwaard was gebleven van de 'nivelleerende werking van het
intellect'' en van de invloed van 'verstandelijke utiliteitsoverwegingen'. Uiteindelijk
was er echter toch sprake geweest van externe beïnvloeding.116

Terwijl Van Giffen in de ontwikkeling van de grafmonumenten een degenererendee
grafcultus herkende, meende hij dat in de ontwikkeling van de materiële
cultuurr vooruitgang zichtbaar moest zijn. De ontwikkeling van cultuurobjecten
leekk zijns inziens het meest op die van levende organismen. In 1927 betoogde hij
hierover: :
Intusschen,, eene indeeling van kunstmatige objecten zal het niet anders gaan
dann eene van natuurlijke: bepaalde vormen zullen tegelijkertijd voor het eene
87 7

HOOFDSTUKK 2
onderdeel of orgaan meer, voor het andere minder tot ontwikkeling gekomen
off gespecialiseerd zijn, terwijl weer andere lagere ontwikkelingsstadia zullen
reflecteeren en slechts als atavistische verschijnselen begrijpelijk wezen.""
Vann Giffen toonde zich hiermee een aanhanger van de stelling dat de typologische
methodee - de methode waarmee de ontwikkeling van culturele objecten werd
bestudeerdd - niets anders was dan de toepassing van het darwinisme op de
menselijke cultuur.118

Megalietbouw:Megalietbouw:

tussen sociaal-evolutionisme en uniciteit
In zijn De Hunebedden in Nederland memoreerde Van Giffen dat de megalietcultuurr
op verschillende plaatsen ter wereld zelfstandig en onder min of meer
overeenkomstige omstandigheden was ontstaan of zelfs had moeten ontstaan. De
megalietbouww kwam zijns inziens namelijk voort uit 'het algemeen menschelijke
substraat'.. Hij sprak van de 'megalith-gedachte' als een 'kristallisatieproduct' van
hett voelen, denken en kunnen van de mens in een bepaald ontwikkelingsstadium.
Vanuitt mondiaal perspectief gezien behoorden de megalitische bouwwerken dus
zekerr niet tot één volk of één tijdperk, zoals in de negentiende eeuw door sommige
oudheidkundigen was verdedigd.1'9

Bij zijn beschouwing over de Nederlandse hunebedden wees Van Giffen erop
dat de ontwikkeling van de megalietcultuur 'vooral' geduid moest worden als een
post-diluviaal 'aanpassingsverschijnsel'. De hunebedbouwers waren bewoners van
het landschap dat tevoorschijn was gekomen na het terugtrekken van de ijskappen
van de laatste ijstijd. De vele zwerfkeien in dit landschap hadden zij als beschutting
gebruikt.. Van Giffen vervolgde:

Naast het 'algemeen menschelijke substraat' en het landschap bracht Van Giffen
de hunebedden ook in verband met de religie en sociale verhoudingen. Hij stelde
dat de opkomst van het bouwen van de hunebedden betekende dat de prehistorische
bevolking afstand had genomen van ideeën over het voortleven na de dood
en de daarmee samenhangende vooroudercultus.122

Het grafritueel bij de hunebedden
was echter niet statisch. Uit het onderzoek bij het hunebed te Bronneger
bleek dat de bevolking aldaar was begonnen met het bijzetten van hun doden
zonder bijgaven. Dit was, zo opperde Van Giffen, waarschijnlijk het gevolg van

een verdere 'vergeestelijking' van de voorstellingen over het leven na de dood.
Van Giffen dacht ook aan de invloed van sociale verhoudingen: hij hield het goed
voor mogelijk dat het gewone volk nog gebruikmaakte van de hunebedden, terwijl
voor de meer aanzienlijken eigen grafmonumenten — grafheuvels — werden opgeworpen.
113 3

Van Giffen koesterde gedurende zijn gehele wetenschappelijke loopbaan bijzondere
belangstelling voor de hunebedbouwers, en niet alleen omdat hun grafgebruiken
grote invloed hadden uitgeoefend op die uit latere perioden. Een grote
rol speelde ook dat hij de hunebedbouwers beschouwde als de eerste vaste bewoners
van 'onze streken


http://dare.uva.nl/document/67968
De volgende gebruiker(s) zeggen bedankt: Dromen, baphomet
Omhoog
Gebruikersavatar
blackbox
Administrator
Administrator
Berichten: 6276
Lid geworden op: za 21 aug 2010, 16:09

zo 27 jan 2013, 22:22

Caucasian Dolmens. The history of people.



illuminati of my own reality
De volgende gebruiker(s) zeggen bedankt: baphomet, combi
Omhoog
Gebruikersavatar
blackbox
Administrator
Administrator
Berichten: 6276
Lid geworden op: za 21 aug 2010, 16:09

zo 27 jan 2013, 22:25

illuminati of my own reality
De volgende gebruiker(s) zeggen bedankt: baphomet, combi
Omhoog
Gebruikersavatar
baphomet
Administrator
Administrator
Berichten: 23216
Lid geworden op: za 21 aug 2010, 16:08

di 29 jan 2013, 11:18

Ik haak even in op de Russische Flintstone huizen, aka Dolmens, of ook wel hunebedden...
Circassian (Adygeyan) history
by adiga magazine
????? 1, 2007, @2:58 am
The Adygeans (the people's own name for themselves is Adyge) are an ancient native people of the Northwest Caucasus, better known in historical annals as Circassians (also Cherkessians). An agricultural and cattle-breeding culture arose in the Northwest Caucasus in the early Bronze age. By 3000 B.C., the Dolmen culture, whose name comes from the distinctive megaliths used as grave markers, had arisen here and reached its peak; it lasted until the last quarter of the second millennium B.C. The area where the Caucasian dolmens are found is the ancestral home of the Adyge-Abkhaz tribes. Today, there are five dolmen fields in the republic with about 200 whole and partly ruined dolmens.

The Maikop culture of the Kuban valley coexisted with the Dolmen culture. The first classical monuments of the Maikop culture in the form of large burial mounds (kurgans) containing splendid articles made of precious metals were discovered in the Kuban before the Revolution. They include the well-known kurgan excavated in Maikop in 1897 by Professor N.I. Veselovsky, which gave its name to the culture as whole. The settlements of Meshoko, Skala, Khadzhokh, and Yasenovaya Polyana are other well-known monuments of this period.

The first iron appeared here in the second millennium B.C. and led to major economic and social advances at the end of the 9th and the beginning of the 8th centuries B.C. The economic structure was represented by cattle-breeding, agriculture, metallurgy and metalworking, weaving, and spinning. This period is known in history as the Protomeatic.

The names of North Caucasian tribes, such as the Meats, Sinds, Akhei, Zikhs, and others that played a major role in the ethnogenesis of the Adyge, first became known in about 1000 B.C. In Greek and Roman sources, they are referred to collectively as Meats, and in 1000 B.C., they occupied the eastern coasts of the Black Sea and the Sea of Azov and the Kuban valley.

The 5th century B.C. began with the rise of cities that became craft and trading centers in the lands of one of the Meatic tribes of Sinds. Intercourse with the Greek world, accelerated the process of formation of classes and states 7among the Sinds. By the end of the 5th century B.C., Sindika had been transformed into a real kingdom. Close political and economic ties were formed with the Bosporus state. Many scientists believe that the Spartacid dynasty that ruled the Bosporus for more than 150 years was Meatic (M.I. Artamonov, E.I. Krupnov) rather than Greek.

The 7th-6th centuries B.C. saw the beginning of widespread use of iron in the Northwest Caucasus, which led to the rapid development of productive forces that transformed the entire material culture and social life. By this time, the Meatic culture was thriving on the right bank of the Kuban, on the left banks of its tributaries to the northern slopes of the Caucasian range, and along the eastern shore of Lake Meota (the Sea of Azov). The Meats lived in farming settlements, and along with farming, stock-breeding, fishing, metallurgy and metalworking, and crafts (pottery, weaving, jewelry-making, tanning, woodworking, etc.) were also well developed.

The Meats' high level of material and spiritual culture and the influence of neighboring peoples on it are confirmed by the unique discoveries made during the excavation of kurgans near the village of Ulyap in Krasnogvardeysky District, which were first known as the Ulsk kurgans, but after a brilliant analysis by Professor A.M. Peskov in 1981-1982, were renamed the Ulyap kurgans. At the beginning of the Common Era, one of the coastal tribes, the Zikhs, appeared on the historical scene. Being in a more advantageous position than the steppe-dwelling Meats for a number of reasons, the Zikhs began to play an important role in the unification process. By the 6th century A.D., the neighboring tribes had united around the Zikhs to form the Zikh Union. Eighth-century authors refer to Zikhia as a sizable country on the eastern shore of the Black Sea resulting from consolidation of the tribes into a single Adyge people. Two other unions, namely, the Kasog in the Transkuban region and the Abazg in the southeast, formed along with the Zikh Union.

In the 6th century A.D., Byzantine influence was increasing in the Northwest Caucasus. By this time the coastal Adyge had converted to Christianity and a Zikh diocese directly under the Byzantine patriarch had been formed. Contemporary references to the Adyge as the Zikhs and Kasogs give reason to believe that the single Adyge union had split into the western and eastern Adyge (Kabardians).

In 944, after the defeat of the Khazar Khanate by the Kievan prince Svyatoslav, the city of Tamatarkha became part of Rus under the name of Tmutarakan. The territory of the Tmutarakan principality included the Eastern Crimea and the Taman Peninsula, and among the inhabitants were Slavs, Adyge, Greeks, and Alans.

The Russian Lavrentev Chronicle first mentions the Adyge under the name of Kasogs in the 10th century. Kasogs were included in the retinue of the Tmutarakan prince Mstislav, and took part in the 11th -century campaigns against Yaroslav the Wise. With the weakening of the Kievan state, the Russian princes lost Tmutarakan at the end of the 11th century. The Kipchaks (Polovtsy) took Tmutarakan from Rus, and the Slavic population of the Northwest Caucasus merged with the Adyge.

From the second half of the 13th century to almost the end of the 15th century, the Genoese, who had their own colonies of Matrega, Kopa, and Mapa in Adyge lands, had a decisive influence on the cultural and historical development of the Adyge. The population consisted of Italians, Greeks, and Adyge.

The celebrated Silk Route passed through the territory of historical Cherkessia (Circassia), as shown by archaeological finds from the Moshchevaya Balka burial ground (7th-9th centuries) on the Bolshaya Laba River, Psebai District, and the Belorechensk kurgans (13th-15th centuries). In the 10th century, the Adyge had already become a single nation. Anthropologically, the Adyge belonged to the northwestern group of Pontic Europeans, and linguistically, to the Northwest Caucasian (Abkhazo-Adygean) group of Caucasian languages. The formation of the Adyge people over the millennia took place in close contact with the tribes of Western Asia, Greeks, Cimmerians, Scythians, and Sarmatians. The main Adyge settlements were located in the northwestern foothills and plains of the lower reaches of the Kuban and on the east coast of the Black Sea from the mouth of the Don to Abkhazia. Adyge society of that time can be described as early feudal, and farming was the leading economic sector. Cattle- and horse-breeding, fishing, and crafts were well developed. The finds at the Kolosovka (8th century) and Psekups (8th-9th centuries) burial grounds and the Belorechensk kurgans, among others, are outstanding examples of premedieval and medieval Adyge culture.

The Mongol invasion changed the map of tribal settlements in the eastern and central areas of the Northern Caucasus. In 1238-1239, the Mongols captured all of the pre-Caucasian plains, and in the early 1240s, the state known as the Golden Horde had formed, whose southern borders extended to the Crimea and the foothills of the Caucasus range. Under these conditions and political circumstances, some of the Adyge (Kabardians) migrated east to the edge of the Central pre-Caucasian plain, which in turn led to the division of the common language into western (Adygean) and eastern (Kabardian) dialects and later formed the basis of the modern Adygean and Kabardian languages. From about the 1240s onward, the word "Cherkess" appears in sources. The name Cherkess, which comes from the Turkic designation for the Adyge, was adopted by other nations and became fixed in European and Eastern literature.

In the 17th century, the Adyge who had separated from the Kabardians moved back west and settled in the area of the Upper Kuban. These were the so-called Besleneevtsy. At the end of the 18th and the beginning of the 19th centuries, a second group joined them from Kabarda. As a result, the Adyge were divided into three nations, the Adygeans, the Kabardians, and Circassians, although besides language, material and spiritual culture, and a common consciousness, the Adyge shared a common territory.

In the 12th and 13th centuries, there was a thriving trade in Adyge slaves on the slave markets of Middle Eastern countries, especially Egypt, where sultans acquired them as additions to their Mameluke guard. The influx of slaves allowed one of the Adyge, Al-Malik-az-Zakhir Barkuk al Cherkesi, to seize power in Egypt and found the Circassian dynasty of Mamelukes, which ruled Egypt and Syria from 1382 to 1517. The Mamelukes finally disappeared from the Middle Eastern political arena in 1811. The Circassian Mamelukes left a significant imprint on the history and culture of Egypt, Syria, and the entire Middle East. They repelled invasions of Crusaders, halted the onslaught of the conqueror Tamerlane, and greatly extended the boundaries of the Mameluke state. During the period of Circassian rule, architecture progressed significantly; irrigation systems were built; and poets, musicians, philosophers, and historians enjoyed special patronage.

The decline of Christianity among the Adyge began at the end of the 15th century after the fall of Constantinople in 1453 and the disappearance of the Byzantine Empire from the world political map. Starting at the end of the 16th century, the Sunni branch of Islam was introduced among the Adyge through the efforts of the Crimean Tatar khans and Turkish missionaries. This was accompanied by military expansion by the Crimean khans. (The Caucasian War of the 19th century and the way the Russian Empire conducted it had a decisive impact on the strengthening and final establishment of Islam in the Northwest Caucasus.) Recognizing this danger, the Adyge (Karbardian) princes who remained oriented toward Russia, headed by Temryuk Idarov, Grand Prince of Kabarda, sent a request to Moscow asking to be allowed to join the Russian state. This political act was strengthened by the marriage of Ivan IV and Temryuk's daughter Goshevnai (baptized Mariya). The marriage in turn contributed to the appearance of a powerful noble class of Circassian princes in Tsar Ivan IV's entourage. From their midst came military leaders and high dignitaries of the Muscovite state, and later, during the Russian Empire, the prince, boyar, and army commander, Yakov Kudenetovich, who commanded the Russian army on the southern border. There was also Mikhail Alegukovich, generalissimo of Russia from December 14, 1695, and champion of Peter the Great, and Aleksei Mikhailovich, prince and field marshal, who became High Chancellor and President of the college of Russian foreign affairs in 1740.

By the 18th century, the Adyge occupied the territory from the mouth of the Kuban along the Black Sea coast to the Psou River and from the northern slopes of the Caucasian mountains to Ossetia; and in the first half of the 19th century, they inhabited extensive areas of the Black Sea coast and the Northern Caucasus. As Russia advanced southward, this territory shrank to 180 000 sq. km by the 1830s.

According to data of the Russian officer Novitsky, the Adyge population in 1830 was 1 820 000, and ethnic subdivisions of the Adyge were preserved, including the Shapsugi, Abadzekhi, Natukhaevtsy, Temirgoevtsy, Bzhedugi, Khatukaitsy, Besleneevtsy, Egerukhaevtsy, Makhoshevtsy, Adamievtsy, Mamkhegovtsy, and Karbardintsy.

By the 1860s, as a result of the Caucasian War and forced deportation to the Ottoman Empire, only 5% of the Adyge remained in their historical homeland. Ethnographers define the modern-day Adyge people as a dispersed nation. More than 3 million Adyge live in more than 50 countries, including Turkey, Syria, Jordan, Israel, the United States, Iraq, Egypt, Saudi Arabia, and Germany. After the end of the Caucasian War, the Northwest Caucasus was under military occupation until 1867, and the Adyge population came under the jurisdiction of military authorities. On January 1, 1867, the military occupation finally ended and the Adyge population became part of the general population of the newly formed Maikop, Ekaterinodar, and Batalpashinsk districts. On March 21, 1888, Alexander III approved a new statute setting up the administrations of Kuban and Tersk regions and Chernomorskaya Province, which abolished civil institutions and established a narrow Cossack military governing caste without the participation of the mountain peoples. In 1914-1917, the Adyge took part in World War I in the Circassian regiment known as the "Wild Division." The Civil War resulted in another sizable migration of Adyge to Turkey and Middle Eastern countries. The revival of the ancient Adyge people as a nation did not begin until after the October Revolution, with the formation of the Circassian (Adygean) Autonomous Region on July 21, 1922. In 1936, by order of the All-Russian Central Executive Committee, the capital of Adygea was moved from Krasnodar to Maikop.

On October 5, 1991, the Adygean people achieved real statehood when the Republic of Adygea was proclaimed. The legal document On State Sovereignty of the Soviet Socialist Republic of Adygea defined the place and role of Adygea in a renewed Russia. Adygea's new status as an independent subject of the Russian Federation was legalized by the RSFSR Supreme Soviet's approval of RSFSR Law N 1535-1 of July 3, 1991, On the Transformation of the Adygean Autonomous Region into the Soviet Socialist Republic of Adygea. In December 1991, elections were held to elect deputies to the Supreme Soviet of the Republic of Adygea, and the first parliament in Adygea's history was formed. Aslan Alievich Dzharimov, the Republic's first president, was elected in January 1992. In March 1992, Adam Khuseinovich Tleuzh was elected the first chairman of the Supreme Soviet of the Republic of Adygea. In five years, Adygea acquired all the attributes of statehood, beginning with state symbols and ending with the adoption of the Constitution of the Republic of Adygea and the formation of state governing bodies. The Constitution of the Republic of Adygea was approved by the Legislative Assembly (Khase) on March 10, 1995.
Bron: -> http://www.adigamagazine.co.il/english/?p=48
1119 AD
Gebruikersavatar
baphomet
Administrator
Administrator
Berichten: 23216
Lid geworden op: za 21 aug 2010, 16:08

di 29 jan 2013, 11:26

Anastasia from the Ringing Cedars series of books, has revealed what these dolmens were used for..
Firstly they are around 9-12 thousand years old..
They were a place of meditation, and the spirits of the dolmens still reside in them today, wanting to communicate their ancient knowledge to us..
What would happen is the elder of the tribe, sensing they were about to die soon, would enter the dolmen, and then go into a state of meditation, until their spirit merged with that of the universe/source/God... There they would remain until our generation, where they are waiting to impart their ancient knowledge to us...
As to how they were built... purely using the power of the mind... Anastasia says as few as 6 people concentrating their thoughts, could lift these massive megalithic stones, and place them wherever they wanted..
They are found all over the world... mostly in Korea & Japan, as well as Russia and the caucauses..
Bron: -> http://www.abovetopsecret.com/forum/thr ... id15826335
1119 AD
De volgende gebruiker(s) zeggen bedankt: blackbox
Omhoog
Gebruikersavatar
#F#
Super QFF-er
Super QFF-er
Berichten: 472
Lid geworden op: vr 17 dec 2010, 23:04

di 29 jan 2013, 13:17

Heb een aantal delen uit de anastasia reeks gelezen.. inspirerende en boeiende lectuur

Uitgeverij schildpadboeken
De volgende gebruiker(s) zeggen bedankt: baphomet
Omhoog
Gebruikersavatar
combi
Administrator
Administrator
Berichten: 15971
Lid geworden op: za 21 aug 2010, 21:27

do 29 aug 2013, 17:36



Hunebedden Drenthe 5 & 6 juli 2011
De volgende gebruiker(s) zeggen bedankt: baphomet
Omhoog
Gebruikersavatar
blackbox
Administrator
Administrator
Berichten: 6276
Lid geworden op: za 21 aug 2010, 16:09

wo 20 nov 2013, 22:07

Prehistoric Korea:

Korea is home to some 30,000 (36,000) (2), dolmens, which is over 40 percent of the global total. In South Korea (South Jeolla Province) alone there are around 16,000 dolmens in some 1,900 locations. The rest are in North Korea's Pyeongannam-do (South Pyeongan Province) and Hwanghae-do (Hwanghae Province).

Two distinct styles of dolmen exist, a southern style and a northern style. Among the ones that have been recorded, there are more southern-style dolmen than northern style dolmen. The Korean name for dolmen, Goindol, The name "Goindol" means "Supported Stone". "Goin" meaning "Supported", and "Dol" being the Korean word for stone (Similar to prehistoric western European).

Three dolmen sites at Gochang, Hwasun and Ganghwa, all located on mountain slopes of South Korea, stand out from other places, and were designated World Heritage sites by UNESCO in 2000.



Afbeelding

The 'Ganghwa Dolmens':

The Ganghwa Dolmen Site, with some 120 dolmens on 12.27 hectares of land, is located high up on the mountainside at an altitude of 100-200 meters in Ganghwa Island. The dolmens found in this region are mostly table-type and presumed to be earlier in kind then those of other regions. It is here that the largest dolmen - width 7.1m and height 2.6m - is located. (2.6 x 7.1 x 5.5 = 101.53 m³)

The Ganghwa dolmens have been accredited with capstones weighing 300 tons (28) at Gochang, but there is no support for Chatelain's (13) mention of a 600 ton capstone.


http://www.ancient-wisdom.co.uk/korea.htm
De volgende gebruiker(s) zeggen bedankt: baphomet
Omhoog
Gebruikersavatar
combi
Administrator
Administrator
Berichten: 15971
Lid geworden op: za 21 aug 2010, 21:27

vr 16 mei 2014, 15:25





Geüpload op 8 okt. 2009
BORGER - Het Hunebedcentrum in Borger opent vrijdag een tentoonstelling over hunebedden uit Jordanië.

In het land zelf is er maar weinig aandacht voor de prehistorische schatten. Door bouwwerkzaamheden worden zelfs hunebedden gesloopt of verplaatst. Hunebedden in het Midden-Oosten zijn vaak kleiner, anders van vorm en staan vaak met meerdere bij elkaar. Op de expositie in Borger zijn voorwerpen uit de Jordaanse hunebedden te zien. Ook is er een Jordaans hunebed nagebouwd. De expositie is te zien tot 31 januari 2010.
===========================

Afbeelding

Afbeelding

Afbeelding


==========================

viewtopic.php?f=153&t=75461#p81800






De volgende gebruiker(s) zeggen bedankt: baphomet
Omhoog
Gebruikersavatar
baphomet
Administrator
Administrator
Berichten: 23216
Lid geworden op: za 21 aug 2010, 16:08

zo 13 jul 2014, 12:41

Het hunebed in Friesland (Vinkega / Finkega): ->>

http://bibliotheek.eldoc.ub.rug.nl/FILE ... bedden.pdf
Gebruikersavatar
baphomet
Administrator
Administrator
Berichten: 23216
Lid geworden op: za 21 aug 2010, 16:08

zo 13 jul 2014, 12:50

G4/Onnen (Onneres), gemeente Haren
De plaats van dit (vermoedelijke) hunebed werd eind 1966 ontdekt, alweer door J.E. Musch en alweer dankzij een steengruisplek in een akker. De vinder liet zich bij zijn speurwerk onder meer leiden door de vermelding van Ludolph Smids uit 1711 van een steenhoop te Onnen 'van gemeen­en trant' en het locale toponiem 'Steenbergerveen'. In 2011 en 2012 is er actief gezocht naar de locatie van dit monument maar tot op heden is deze nog niet vastgesteld.

Zoektocht naar verdwenen hunebed G4 nog niet ten einde
Op instigatie van de Groninger provinciaal archeoloog Henny Groenendijk is in 2011 in Onnen een begin gemaakt met een actieve zoektocht naar de plek waar het vermoede hunebed G4 gestaan heeft. De zoektocht begon met grondradaronderzoek, uitgevoerd door de firma Medusa. Op basis van het radaronderzoek is in 2012 een locatie uitgekozen die zeer veelbelovend leek om door gravend onderzoek nader bekeken te worden. In 2012 heeft die kleinschalige opgraving plaatsgevonden door archeologen van archeologisch adviesbureau RAAP, vestiging Noord. De hoop om een gedeelte van de granietgruisvloer en enkele extractiegaten te vinden bleek ijdel. Er werd niets aangetroffen dat op de aanwezigheid van een hunebed op deze plaats wijst. De zoektocht wordt niet gestaakt maar er zal verder worden gezocht in de nadere omgeving. Lees het verslag van Esther Scheele hieronder.

De zoektocht naar G4
Inleiding
Hunebedden zijn één van de weinige categorieën archeologische monumenten die ook tegenwoordig nog met het blote oog in het Nederlandse landschap te herkennen zijn. Door hun herkenbaarheid spreken ze al eeuwen tot de verbeelding der mensen. Tot in de 17e eeuw geloofde men dat deze 'steenhopen' alleen door reuzen konden zijn opgericht (fig. 1). Tegenwoordig is bekend dat deze bouwwerken de restanten zijn van prehistorische grafmonumenten. Nederland telt nog 53 hunebed ruïnes op hun oorspronkelijke locatie, waarvan er één in de provincie Groningen staat en de andere 52 in de provincie Drenthe. Daarnaast zijn er nog 27 locaties bekend waar ooit een hunebed gestaan heeft, maar dat nu niet meer op deze plek te zien is, hiervan liggen er vier in Groningen, twintig in Drenthe, twee in Overijssel en één in Friesland.
picardt-300x180
fig. 1: Picardt's voorstelling over het
ontstaan van de hunebedden
Vooronderzoek
In de provincie Groningen is nog één bestaand hunebed te vinden, dit monument met de naam 'de Steenbarg' ligt bij Noordlaren. Daarnaast zijn er vijf verdwenen hunebedden bekend, de locaties van de hunebedden G2 en G3 liggen op de Glimmer es in Haren en G5 werd in 1982 bij opgravingen door het Groninger Instituut voor Archeologie onder de wierde Heveskesklooster in Oosterhoek ontdekt. Dit hunebed is afgebroken en is tegenwoordig als reconstructie te zien in het museum in Delfzijl. De eveneens uit Heveskesklooster afkomstige steenkist met de aanduiding G6 is gereconstrueerd in het Hunebedcentrum in Borger. Het zesde Groninger hunebed – G4 – wordt wel in de literatuur vermeld, maar de daadwerkelijke locatie staat nog steeds niet onomstotelijk vast.
In 1966 werd de vermoedelijke locatie van G4 ontdekt door J.E. Musch, op basis van de de eveneens in de nabijheid liggende (inmiddels geverifieerde) resten van G2 en G3 (onderzocht in 1969-1971). In combinatie met een vermelding van Ludolf Smid uit 1711 van 'eene steenhoop van gemeenen trant' bij Onnen (fig. 2) en aanduidingen als 'Steenakker' voor de directe omgeving van het hunebed en 'Steenbergen' en 'Steenbergerveen' (een nabijgelegen pingo veentje) in de nabijheid, leidden tot de ontdekking van een granietgruisplek op het meest in aanmerking komende terrein op de Onner es. Na het ploegen van het veld in het voorjaar van 1968 tekende de granietgruisplek zich nog duidelijker af en trof Musch ook vuurstenen artefacten aan. De collectie door hem getekende artefacten omvat onder andere een transversale pijlspits, een splinter van een vuurstenen bijl en diverse scherven uit verschillende fasen van deTRB-cultuur. Hierdoor is het waarschijnlijker dat het op deze locatie gaat om een hunebed met een grotere tijdsdiepte dan om een steenkist met een korte gebruiksperiode. Bij het onderzoek aan de locatie van de hunebedden G2 en G3, werd in beide hunebedden Middeleeuws kogelpot aardewerk aangetroffen. Op basis van het type kon dit aardewerk gedateerd worden op 1000-1100 AD en staat hoogstwaarschijnlijk in verbinding met het ontmantelen der beide hunebedden. De in de stad Groningen staande St. Walburgkerk is omstreeks 1050 gebouwd en in de vloer van het kerkschip bevinden zich vele veldkeien van diverse formaten, onder andere ook stenen die groot genoeg zijn om als deksteen van een hunebed dienst te doen. Het is goed mogelijk dat G4 hetzelfde lot heeft ondergaan als de andere beide grafmonumenten.
De module 'Op zoek naar de Trechterbekercultuur' die onderdeel is van het project Land der Entdeckungen bood de kans de hypotheses over de mogelijke locatie van dit hunebed in het veld te testen. Het onderzoek kwam in het rollen doordat de huidige grondgebruiker en één van de eigenaren van de in aanmerking komende percelen nieuwsgierig waren naar het verdwenen hunebed dat zich op hun terrein zou moeten bevinden. Hun enthousiasme voor een mogelijk onderzoek gaf de aanzet tot een project onder leiding van de provinciaal archeoloog van Groningen, H. Groenendijk. In overleg met de grondeigenaars en gebruiker werd besloten eerst een onderzoek door middel van grondradar te laten uitvoeren om vast te stellen of er zich daadwerkelijk iets in de ondergrond bevindt dat in verband zou kunnen staan met een vroeger hunebed op deze locatie.
onnen-smit-632x1024
Fig. 2: De vermelding van 'eene steenhoop van gemeenen trant' bij Onnen in het boek van Smids uit 1711
Onderzoek met grondradar 2011
Op 4 oktober 2011 volgt een onderzoek met de grondradar door de firma Medusa, de opdracht voor het onderzoek luidt: Verifiëren of het vermoeden van de aanwezigheid van een verdwenen hunebed juist is door middel van grondradar onderzoek. Bij het onderzoek is niet alleen de directe standplaats van het hunebed onderzocht, maar zijn ook ruim om deze locatie heen metingen verricht om een goede indruk te kunnen krijgen van de opbouw van de bodem en verstoringen van de natuurlijke opbouw beter in kaart te kunnen brengen. Hierbij moet men denken aan extractiegaten van de draagstenen, concentraties veldkeien die de vloer van de grafkamer hebben gevormd en andere bodemverstorende elementen die een indicatie kunnen zijn voor de vroegere aanwezigheid van een hunebed.
Een grondradar systeem bestaat uit een combinatie van een elektromagnetische zender en ontvanger. Bij het meten wordt een hoogfrequente radiopuls door de zendspoel uitgezonden en gereflecteerd door bepaalde lagen of objecten in de bodem. Gemeten wordt in parallelle lijnen die aan het einde een soort weefwerk vormen waarmee dan de hele oppervlakte van het onderzoeksgebied wordt afgedekt.
De metingen leveren als resultaat een beeld op van een ca. 10 bij 11 grote kuil met een tamelijk vierkante vorm. Deze verdieping in de natuurlijk bodem kan worden geïnterpreteerd als extractiekuil van hunebedconstructie. Ook tonen de metingen extra 'structuren' aan boven en onder de vermoedelijke extractiekuil. Hier kan sprake zijn van restanten van de vroegere hunebedvloer, die vaak werd geplaveid met kleinere veldkeien.
Op basis van deze gegevens is een tweede reeks meer gedetailleerde metingen uitgevoerd, die zich concentreert op de plek van de vermoedelijke extractiekuil. Deze tweede meting toont aan dat de kuil iets groter is dan initieel gedacht, ca. 14x18m en naar het midden toe concentrisch geleidelijk dieper wordt. Ook komt uit deze meting naar voren dat er zich op ca. 20cm boven de bodem in het centrale gedeelte van de extractiekuil nog een tweede laag bevindt, mogelijk een vloertje. Naast deze tweede laag zijn ook losse objecten / laagjes waarneembaar die zich boven het mogelijke vloertje bevinden.
Gravend onderzoek Onnen 2012
Op basis van de gegevens uit het radaronderzoek is besloten op de plaats van de mogelijke extractiekuil een opgraving uit te voeren om te bekijken wat de radarsurvey hier nu daadwerkelijk heeft opgepikt. Iets meer dan een jaar na het uitvoeren van de radarmetingen wordt er op 22 oktober 2012 een proefsleuf getrokken, beginnend aan de NO-zijde van de locatie. Er tekent zich een beeld af van een bouwvoor op geel zand en een profiel dat het tegenovergestelde van dat van een heuvel is. In lichtgrijs loodzand tekenen zich driehoekige schopsteken met een donkergrijze vulling af (fig. 4). Deze schopsteken zijn vermoedelijk toe te schrijven aan middeleeuwse activiteiten in en om de (toen reeds opgevulde) kuil.
l1050817-576x1024
Fig. 3: Schopsteken in de opvulling van de kuil
Ook zijn er esgreppels aanwezig die op korte afstand van elkaar verlopen en haaks op de testput staan, één van deze greppels loopt door de vermoedde extractiekuil. Een mogelijke verklaring voor de functie van deze greppels is dat onderdeel zijn van pogingen tot grondverbetering op perceel. Ze zijn in elk geval jonger dan de ontginning van het perceel, maar niet zo jong dat ze in de locale herinnering nog present zijn.
De rand van de op de radarmeting geziene kuil is in de NW wand van de proefput het beste zichtbaar maar omdat de gelaagdheid niet duidelijk laat zien waarmee men hier nu te maken heeft, wordt het profiel bij deze wand verdiept. Hierdoor tekent zich geleidelijk een beeld af van wat er bij de radarsurvey gemeten is: in een natuurlijke depressie heeft zich een zware podsolbodem ontwikkeld – dit is een bodemtype dat op de schrale dekzandgronden in Noord-West Europa vaak voorkomt. Bij dit bodemvormingsproces ontstaat vaak een ondoordringbare bodemlaag, in dit geval heeft deze bodemlaag de reflecties opgeleverd die gelezen zijn als 'bodem extractiekuil'. In de vulling van de depressie is geen overtuigende houtskool aangetroffen, wel is uit in secundaire opvulling een verbrand vuurstenen werktuig gevonden.
Conclusies
Bij de door middel van grondradar opgespoorde depressie gaat het niet om de extractiekuil van een hunebed maar om een opgevulde natuurlijke depressie in het dekzand. De stenigheid van de opvulling – de natuurlijke bodem is hier geheel steenloos – in combinatie met de vondsten van J.E. Musch en de in de omgeving voorkomende namen 'Steenbergerveen' en 'Steenakker' duiden wel op de aanwezigheid van een gesloopt hunebed in de nabijheid van de in deze campagne onderzochte locatie. Hoe de opvulling van de depressie tot stand gekomen is kan niet met zekerheid worden vastgesteld, het aanwezige zand kan ingestoven zijn, maar de eveneens aangetroffen granietbrokjes en vuursteenartefacten wijzen op een antropogene invloed. De opvulling kan zowel bij de bouw als ten tijde van het slopen van het hunebed hebben plaatsgevonden, in beide gevallen is de aanwezigheid van granietbrokjes te verwachten, deze kunnen echter ook het gevolg zijn van andere menselijke activiteiten, zoals bijvoorbeeld het verpulveren van graniet ten behoeve van aardewerk productie. Middeleeuws ingrijpen in de structuur van
de grond wordt vermoed op basis van de aanwezigheid van schopsteken in de secundaire vulling van de depressie (fig. 4) en het aantreffen van een kogelpotrandscherf in de bouwvoor. De zoektocht naar G4 is dus nog niet afgesloten, een hernieuwde poging tot ontknoping van dit raadsel zou begonnen kunnen worden met het preciseren van de vindplaatsopgave door J.E.Musch, het verifiëren van het toponiem 'Steenakker' en een inspectie luchtfoto's vanaf 1966.
Bron: ->> http://www.hunebeddeninfo.nl/index.php/g4-onnen

Ik ga straks even een eindje fietsen :)

@ BB: -> Onnen is bij die enorme hoeveelheid treinen net na Haren...
De volgende gebruiker(s) zeggen bedankt: blackbox, Mec
Omhoog
Gebruikersavatar
Toxopeus
Administrator
Administrator
Berichten: 4230
Lid geworden op: ma 15 nov 2010, 19:53

zo 14 sep 2014, 18:07

Hunebed G1 nabij Haren, Noordlaren te Groningen:

Afbeelding

Afbeelding
Grote deksteen

Afbeelding

Afbeelding
Een stenen paaltje

Afbeelding
Weird paadje, in het hele bosje om de hunebed liggen allemaal weirde paadjes die nergens naar toe leiden

Afbeelding
De bomen met de typisch gevormde takken natuurlijk

Afbeelding
Hallo?

Afbeelding
8H?

Afbeelding
Klein hunebed met een mooie en een aparte directe omgeving. Een aanrader...
In de erfenis der eeuwen ligt veel wijsheid opgetast. Ook hier geldt: dwaas is hij die zijn eigen geschiedenis versmaadt.
De volgende gebruiker(s) zeggen bedankt: baphomet, blackbox, combi, Octa
Omhoog
Gebruikersavatar
baphomet
Administrator
Administrator
Berichten: 23216
Lid geworden op: za 21 aug 2010, 16:08

zo 21 dec 2014, 23:54

Plaats reactie

Terug naar “Geschiedenis”